uit-opstanding uit de doden

Op de Goedbericht conferentie kwam in de vragenbespreking kort een uitdrukking uit Filippenzen 3:11 ter sprake: de uit-opstanding uit de doden (Grieks: exanastasin ten ek nekron). Omdat ik in mijn toespraak niet op Fil.3:11 ben ingegaan, heb ik naderhand email ontvangen met vragen en opmerkingen over deze uitdrukking. Een goed moment om mijn overwegingen met betrekking tot deze op het eerste gezicht wat merkwaardige uitdrukking eens op een rijtje te zetten. Het vers waarin deze frase staat, zegt letterlijk:

Filippenzen 3
11 of ik, hoe ook maar, zou komen tot de uitopstanding  uit de doden.

De wegrukking
Wanneer Paulus refereert aan de opstanding uit de doden van de ecclesia, het lichaam van Christus, dan duidt hij op de gebeurtenis die wij de opname van de gemeente noemen, of beter: de wegrukking. Bij deze gebeurtenis vindt er een opstanding plaats van tussen de overige doden uit, dat wil zeggen: met achterlating van de andere doden.
We lezen dit bijvoorbeeld in 1 Thess.4:13-18 waar Paulus de Thessalonicenzen bemoedigt met betrekking tot de ontslapenen (:13). Deze ontslapenen worden verderop in het gedeelte de doden in Christus genoemd (:16). Deze doden zullen als eerste opgewekt worden en bij de wegrukking tezamen met de levend overgebleven gelovigen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Paulus beschrijft deze gebeurtenis ook in andere brieven, bijvoorbeeld in 1 Kor.15:51-52.

Het extra ‘uit’
Maar sommige gelovigen menen dat het in Fil.3:11 over een andere gebeurtenis gaat. Paulus gebruikt nergens anders de term uit-opstanding uit de doden, dus moet het hier over iets anders gaan, zo is het idee. Uit het gebruik van het extra uit- in de uitdrukking uit-opstanding, concludeert men dat de leden van het lichaam van Christus direct na het overlijden een ‘invididuele opstanding uit de doden’ meemaken en na het sterven direct bij Christus zijn.

Tegen deze visie zie ik  vanuit de Schrift een aantal bezwaren:

1. Het ontkent de dood. Men sterft immers en slaat daarna direct ‘aan gene zijde’ de ogen weer op en men is dus nooit écht dood geweest. Dit doet wel erg sterk denken aan de leugen van de slang in de hof (Gen.3:4).

2. In 2 Timotheüs 2:17-18 zegt Paulus over twee mannen, Hymeneüs en Filetus, dat ze van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding al gebeurd is. Wat Hymeneüs en Filetus precies leerden wordt verder niet uitgelegd door Paulus, maar past de redenering van een individuele opstanding uit de doden van de gelovigen die behoren tot het lichaam van Christus niet perfect in de bewering ‘dat de opstanding al gebeurd is’?

3. Uitdrukkingen met een extra voorzetsel komen veel vaker in de Schrift voor en benadrukken het gebruikte voorzetsel. In Fil.3:11 benadrukt Paulus met het extra uit in de term uit-opstanding dan ook, het feit dat het een opstanding uit de doden is, dat wil zeggen: van tussen de overige doden uit en met achterlating van de overige doden.

De Schrift kent veel meer van dit soort uitdrukkingen met een dubbel voorzetsel en ook onze Nederlandse taal is er vol van. Dit laatste laat ik buiten beschouwing, maar hieronder volgen een aantal voorbeelden uit de Schrift:

  • De uittocht uit Egypte (Num.33:38).
  • Uit hun land uitgetrokken (Deut.29:28).
  • Uit de wereld uitverkoren (Joh.15:19).
  • Uit het diensthuis uitleiden (Ex.20:2, Rich.6:8)

Maar ook:

  • Ingaan in de tempel (Hand.3:3).
  • Ingaan in het Koninkrijk der hemelen (Matth.7:21).

Met behulp van een concordantie kun je talloze uitdrukkingen in de Schrift vinden waarin een dubbel voorzetsel gebruikt wordt en waarop dan ook hetzelfde principe van toepassing is als op de term uitopstanding: het leggen van extra nadruk door het gebruik van een extra voorzetsel.

Enige voorkomen?
Zij die aan het begrip uit-opstanding de betekenis van een individuele opstanding van de doden in Christus geven, wijzen er vaak op dat het woord uitopstanding slechts één keer voorkomt in de Schrift en dus moét Paulus er wel iets speciaals mee bedoelen. Maar de bewering dat het woord slechts één maal voorkomt, is een halve waarheid.
Het zelfstandig naamwoord exanastasin (G1815) komt slechts één keer voor, namelijk in Fil.3:11, maar het werkwoord dat hiervan afgeleid is, exanistemi (G1817) komt ook drie keer voor in de Schrift. Twee maal vinden we het in een tamelijk eufemistisch gebruik en wordt het vertaald met zaad/nageslacht verwekken (Marc.12:19, Luk.20:28).

De derde keer dat het woord voorkomt, vinden we het in:

Handelingen 15
5 Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden.

Letterlijk staat er: uit-opstaande echter enige (…) Ook in dit vers is het volstrekt duidelijk wat er bedoeld wordt. Uit de groep van Farizeeën stonden enigen op, namelijk degenen die gelovig geworden waren. Zij namen het woord, niet als vertegenwoordiging van de hele groep, maar als een deel van de groep. Ze stonden hiermee op uit de groep van Farizeeën.

De dag van Christus
Paulus opent de Filippenzen brief met te danken voor de gemeenschap in het evangelie van de Filippenzen (1:5). God was in hen een goed werk begonnen en Paulus vertrouwde erop dat Hij dit zou voltooien tot op de dag van Jezus Christus (1:6). Vergelijk 1:10, 2:16. Over welke dag Paulus het heeft hoeven we niet te filosoferen. Twee hoofdstukken verder zegt hij:

Filippenzen 3
20 Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten,
21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.

De dag van Christus is niet voor elke individuele gelovige een andere dag, maar spreekt over één moment. Het is de dag dat Christus Jezus, onze Redder, zal neerdalen van de hemel en waarop Hij ons lichaam veranderen (letterlijk: transfigureren) zal, gelijkvormig aan Zijn verheerlijkt lichaam. Of wij nu op dat moment nog leven, of dat wij al zijn overleden maakt geen verschil. We zullen tezamen de Heer tegemoet gaan (1 Thess.4:16-17).

 

1 Thessalonicenzen 4
18 Bemoedigt elkaar dus met deze woorden.