In de vorige blog zagen we dat Petrus wist dat het niet lang meer zou duren voordat hij zou sterven. Ook Paulus wist dat hij niet lang meer zou leven. Hij schrijft dit in zijn tweede brief aan zijn medewerker en opvolger Timotheüs, die hij “echt kind in het geloof” noemt (1 Tim. 1:2).
2 Timotheüs 4
6 (…) en het moment van mijn ontbinding is aanstaande.
7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loopbaan tot een einde gebracht, ik heb het geloof bewaard.
maar jij
Paulus waarschuwt Timotheüs in deze brief voor de gevaarlijke tijden die zullen komen (2 Tim. 4:1). Het christendom als geheel zal zich van het evangelie afkeren. Deze brief is zeer persoonlijk, Paulus spreekt Timotheüs meerdere keren direct aan met de woorden: “Maar jij”. Terwijl de massa is afgeweken, richt hij zich tot de enkeling.
De loopbaan van Paulus komt ten einde en hij geeft het stokje door aan Timotheüs. In zijn laatste woorden aan Timotheüs heeft hij nog zeer belangrijke zaken door te geven.
9 Beijver je om spoedig naar mij toe te komen.
10 Want Demas liet mij in de steek, omdat hij de huidige aeon liefheeft. Hij ging naar Thessalonica, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.
urgentie
Paulus had haast, gezien het gebruik van het woord spoedig. Hij wist dat zijn sterven aanstaande was en wilde nog iets belangrijks regelen. Daarvoor had hij Timotheüs nodig, want velen hadden zich op dat moment al van hem afgekeerd (2 Tim. 1:15) en hem verlaten (2 Tim. 4:16). Anderen waren belast met andere taken, zoals Crescens en Titus.
11 Alleen Lucas is nog met mij. Haal Marcus op en breng hem met je mee, want hij is voor mij zeer bruikbaar in de dienst.
zoon van Petrus
Alleen Lukas is nog bij Paulus. Van Lukas weten we dat hij ook de schrijver is van twee Bijbelboeken: het evangelie van Lukas en het boek Handelingen. Twee belangrijke documenten in verband met het bij elkaar brengen van de overige Schriften.
Daarnaast noemt Paulus Marcus en vraagt aan Timotheüs om hem mee te nemen. Marcus wordt door Petrus “mijn zoon” genoemd (1 Petr. 5:13). Een zoon is in de bijbel een erfgenaam. Marcus was de rechterhand en opvolger van Petrus en Petrus had iets wat hij zijn zoon zou nalaten.
Paulus zegt tegen Timotheüs dat Marcus hem tot veel nut voor de dienst is. Maar wat voor dienst dan?
13 Als jij komt, breng dan de omslag mee, die ik in Troas bij Karpus achterliet, en ook de boekrollen, vooral de perkamenten.
omslag
Het woord dat hier vertaald is met “omslag” is het Griekse phelonen en wordt in de Statenvertaling en NBG vertaald met (reis)mantel. In de Griekse literatuur heeft dit woord veel verschillende toepassingen. Het woord duidt altijd op een omhulsel of bescherming. Dit kan een mantel zijn, maar ook een omslag voor heel andere toepassingen, zoals voor het vervoeren van boeken, instrumenten, en andere zaken. Het kernidee is altijd: iets dat omhult of beschermt.
jas?
Zou het niet vreemd zijn, dat Paulus, die op het punt staat te sterven en haast heeft om nog zaken gedaan te krijgen en de juiste mensen hiervoor bij elkaar te krijgen, zich druk maakt om zijn jas?
De vertalers hebben gedacht uit het verband op te moeten maken dat het hier om een mantel gaat, omdat Paulus in vers 21 zegt: “Beijver je vóór de winter te komen.” Maar vers 21 is acht verzen verder dan het vers waar gesproken wordt over de omslag.
In vers 13 spreekt Paulus over: de omslag, de boeken en de perkamenten. Veel logischer is het dus dat Paulus een omslag bedoelt die bedoeld is voor het ordenen en vervoeren van documenten, namelijk boeken en perkamenten.
de geschriften
Paulus was zich bewust was van zijn naderende levenseinde, en spande zich in om de Schriften bij elkaar te verzamelen! Timotheüs wist waar Paulus op doelde. Het ging Paulus niet zomaar om wat boeken en geschriften, maar Paulus geeft aan: “breng de omslag mee, en ook de boeken, vooral de perkamenten”. De Griekse woorden die vertaald zijn met de boeken zijn: ta biblia. In de laatste herkennen we nog ons woord bijbel. Een bibliotheek van verschillende geschriften.