We hebben gezien hoe onder koning Kores de oproep werd gedaan aan heel Israël om terug te keren naar het land Juda en naar Jeruzalem, om de tempel te herbouwen. Jeremia had met betrekking tot Juda, het tweestammenrijk, voorzegd dat de ballingschap zeventig jaar zou duren (Jer. 25:11; 29:10).
Ongeveer 150 jaar vóór de deportatie van Juda was het tienstammenrijk al weggevoerd naar Assyrië. Ook zij vielen onder de oproep van Kores. Hoewel slechts een klein deel van het volk gehoor gaf aan deze oproep, wordt dit teruggekeerde deel in de Schrift beschouwd als heel Israël. Het deel van zowel de twee als de tien stammen dat niet terugkeerde en uiteindelijk zijn identiteit verloor, werd niet langer gerekend tot Israël, maar ging op in de natiën.
uit het Noorderland
Jeremia had niet alleen voorzegd hoe lang de ballingschap zou duren, maar ook waarvandaan het volk zou terugkeren. Opmerkelijk is dat hij daarbij zowel Juda als Israël noemt.
Jeremia 3 HSV
18 In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.
tezamen
Het “land van het noorden” of het “Noorderland” verwijst naar het gebied van de Eufraat, waarheen zowel de tien stammen als later Juda waren weggevoerd (vgl. Jer. 46:10). Jeremia spreekt hier over een gezamenlijke terugkeer van Juda en Israël uit het gebied van hun ballingschap.
Deze woorden sluiten nauw aan bij de historische terugkeer onder Kores, Ezra en Nehemia. Of deze profetie daarnaast ook nog een verdere vervulling kent, doet voor ons onderwerp niet ter zake. Waar het hier om gaat, is dat Jeremia de herkomst van het terugkerende volk aanduidt als het Noorderland. Dat is geheel in overeenstemming met de Assyrische en Babylonische ballingschap.
Op andere plaatsen gebruikt Jeremia dezelfde taal.
Jeremia 16 HSV
14 Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,
15 maar: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
Hier wordt eerst gesproken over het Noorderland en vervolgens over de overige landen van verstrooiing. Hetzelfde patroon vinden we terug in Jeremia 23.
Jeremia 23 (HSV)
7 Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,
8 maar: Zo waar de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had. Zij zullen wonen in hun eigen land.
Ook Jeremia 31 spreekt in dezelfde bewoordingen.
Jeremia 31 (HSV)
8 Zie, Ik doe hen komen uit het land van het noorden, Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde.
Opvallend is dat Jeremia enerzijds spreekt over het Noorderland, waarheen Israël oorspronkelijk in ballingschap was weggevoerd, en anderzijds over de einden der aarde en alle landen van verstrooiing. De profeet beschrijft geen migratie naar één specifieke bestemming, maar een verstrooiing onder de volken. Wanneer God Israël in de toekomst verzamelt, brengt Hij hen bijeen uit alle plaatsen waarheen zij verdreven zijn.
niet uit het westen
Wat we nergens lezen, is dat het huis van Israël zich als herkenbaar volk zou bevinden in verre westelijke landen. De profeet noemt geen eilanden in Noordwest-Europa, geen Brittannië en geen andere gebieden die door voorstanders van de leer van de verloren tien stammen worden aangewezen.
Als de tien stammen daadwerkelijk als afzonderlijk volk zouden hebben voortbestaan in de Angelsaksische wereld, zou men verwachten dat daarvan in de profetieën aanwijzingen te vinden zijn. In plaats daarvan spreekt Jeremia over het Noorderland, de einden der aarde en alle landen van verstrooiing.
conclusie
Wanneer Jeremia spreekt over de terugkeer van Juda en Israël, verbindt hij die met het Noorderland, maar ook met de landen van de verstrooiing en de einden der aarde. Daarmee sluit zijn profetie aan bij de wegvoering naar Assyrië en Babel en de verstrooiing van het volk onder de natiën.
De gedachte dat de tien stammen zich als herkenbaar volk zouden hebben gevestigd in Noordwest-Europa vinden we bij Jeremia niet terug. Hij spreekt niet over één specifieke bestemming van de tien stammen, maar spreekt over een verstrooid volk dat God vanuit alle plaatsen waarheen het verdreven was, weer zal verzamelen. Daarmee vormt Jeremia geen ondersteuning voor de leer van de verloren tien stammen, maar juist een correctie daarop.