In de vorige blog hebben we een begin gemaakt met de bespreking van 1 Korinthe 5, een hoofdstuk waar men vaak het bewijs leest voor gemeentelijke tucht. Het meest opvallend in de eerste verzen is dat Paulus zijn verwijt richt tot de ecclesia en niet tot de man. Hun houding was de reden dat zo’n praktijk in hun midden kon bestaan. Blijkbaar waren de Korinthiërs zelfs trots op hun verdraagzaamheid. Daardoor kreeg het kwaad vrij spel in hun midden (:2).
Hij schrijft dat deze man uit hun midden zou worden weggenomen. Daarbij gebruikt hij bewust een passieve werkwoordsvorm. In de volgende verzen legt Paulus uit wat hij daarmee bedoelt.
1 Korinthe 5 ISA
3 Want ik, die afwezig ben in het lichaam, maar die aanwezig ben in de geest, heb reeds, als aanwezig, zo geoordeeld over degene, die dit bewerkt.
Paulus was lichamelijk afwezig, maar “in de geest” aanwezig. Daarbij kunnen we denken aan het feit dat Paulus in gedachten bij hen was. Meer voor de hand ligt echter dat Paulus doelt op de brief die hij aan de Korinthiërs schrijft. Wanneer deze in hun midden wordt voorgelezen, is hij als het ware zelf aanwezig.
Paulus heeft de situatie al beoordeeld en spreekt nu zijn oordeel uit.
4 In de naam van onze Heer Jezus, wanneer jullie en mijn geest vergaderd worden, samen met de kracht van onze Heer Jezus Christus,
5 leveren wij zo iemand over aan de satan tot verderf van het vlees…
Wat Paulus hier zegt, klinkt op het eerste gezicht zeer ernstig: “Wij geven zo iemand over aan de satan.” Maar wat betekent dat?
overleveren
De man wordt overgeleverd aan de satan. Hierbij moeten we goed onderscheiden wat Paulus wel en niet zegt. Als we willen weten wat Paulus bedoelt met “overleveren” of “overgeven”, dan vinden we daarvan een sterk voorbeeld in Romeinen 1. Daar zegt hij driemaal dat God de mens overlevert aan de begeerten van zijn hart (:24), aan hartstochten van oneer (:26) en aan een verwerpelijk denken (:28).
God brengt de mens niet tot die praktijken. Hij laat hem daarin gaan. Hij levert hem daaraan over. Diezelfde gedachte vinden we hier terug. De man had zichzelf met zijn levenswandel in het domein van de satan begeven. Paulus zegt daarom niet dat hij daarheen gebracht moet worden, maar dat hij daaraan wordt overgeleverd. Wie vasthoudt aan het kwaad, wordt daaraan overgeleverd. Het doel van dit loslaten is dat hij tot inkeer komt.
een gelovige
Van deze man wordt nergens gezegd dat hij een ongelovige is. Integendeel, hij bevindt zich “onder jullie” (:1) en “in jullie midden” (:2). Met zijn levenswandel bevindt hij zich echter in het domein van de satan. Het eindpunt daarvan is “verderf van het vlees”. Dat klinkt ernstig, maar uiteindelijk is alle vlees vergankelijk.
Toch is dat niet het einddoel, want het doel van het overleveren van de man aan satan is positief:
5 (…) opdat de geest gered zal worden in de dag van de Heer Jezus…
Ook hieruit blijkt dat Paulus spreekt over een gelovige. Het doel is niet zijn ondergang, maar zijn redding. Dat sluit aan bij wat Paulus eerder schreef in 1 Korinthe 3. Iemands werken kunnen verbranden, terwijl hijzelf gered wordt, “maar alzo als door vuur heen” (1 Kor. 3:15). Ook hier eindigt Paulus niet bij oordeel, maar bij redding. Dat zal blijken in de dag van de Heer Jezus.