Deze gelijkenis vinden we alleen bij Mattheüs en niet in de andere evangeliën. De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard staat niet op zichzelf. Aan het slot van het vorige hoofdstuk zegt de Heere Jezus: “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten” (Matth. 19:30). Die woorden vormen als het ware de sleutel tot de gelijkenis die volgt. In het verhaal laat Jezus zien hoe het in het Koninkrijk van de hemelen anders toegaat dan mensen vaak denken. Niet menselijke verdienste of rangorde bepaalt de uitkomst, maar Gods roeping en genade.
de rijke jongeling
Direct voorafgaand aan de gelijkenis heeft Jezus een gesprek met de rijke jongeling, die vraagt wat hij moet doen om aeonisch leven te hebben (19:16). Jezus vertelt hem eerst “de geboden te bewaren” (19:17) en als hij aangeeft dat hij dit gedaan heeft (19:20), zegt Hij: “…ga dan heen, verkoop jouw bezittingen, en geef het aan de armen, en jij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij” (19:21). De rijke jongeling had veel bezittingen, dus toen hij dat hoorde, ging hij bedroefd weg (19:22).
lot-bezit
Petrus hoort dit en trekt zijn conclusies, als hij reageert door te stellen: “wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zal dus ons deel zijn?” (19:27). Met andere woorden: wat is het loon voor ons, die U gevolgd zijn? Het antwoord van de Heer houdt in dat wie Hem gevolgd is, veel zal ontvangen en het aeonische leven zal beërven” (19:28-29). Maar direct daarna voegt Hij eraan toe: “Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.” (Matth. 19:30). De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard sluit daar direct op aan en maakt duidelijk hoe dat in het Koninkrijk van de hemelen werkt.
aeonisch leven
Iedere arbeider in de gelijkenis ontvangt één denarius, een zilveren munt. In de Schrift staat zilver voor de losprijs die is betaald. Deze denarius die alle arbeiders in de gelijkenis ontvangen, is een uitbeelding van het aeonische (>eeuw-ige) leven dat elke gelovige ontvangt. Dat is voor een ieder gelijk, of je nu vroeg of laat geroepen bent. In de gelijkenis wordt niet gesproken over het werk of de opbrengst van de arbeid, want dat doet niet ter zake. Gods rechtvaardigheid is geen loon naar werken, maar “om niet, in Zijn genade” (vgl. Rom. 3:24). Het is de Heer van de wijngaard die de arbeiders roept.
Mattheüs 20 ISA
1 Want het Koninkrijk van de hemelen lijkt op een mens, een huiseigenaar, die vroeg in de morgen naar buiten ging, om werkers voor zijn wijngaard te huren.
Het voegwoord “want” (Grieks: gar) verbindt dit vers met het voorgaande: het geeft aan dat de gelijkenis een toelichting is op de uitspraak in 19:30: Maar vele eersten zullen laatsten zijn, en laatsten eersten.
de heer van de wijngaard
De gelijkenis spreekt over het Koninkrijk van de hemelen. Het onderwerp is “een zeker mens” (Luk. 14:16; 15:11), nader omschreven als “een huiseigenaar” (Matth. 13:27, 51; 20:1). In de gelijkenissen is hij een uitbeelding van de Heer.
de wijngaard
De wijngaard is een bekend Bijbels beeld voor Gods volk of Gods werkterrein (vgl. Jesaja 5). Een wijngaard “belooft” wijn, dat een type is van nieuw leven. Ten diepste is een wijngaard een uitbeelding van de beloften aan Abraham. In het volgende hoofdstuk vinden we nog twee gelijkenissen met een wijngaard, die van de twee zonen (Matth. 21:28-32) en die van de boze wijngaardeniers (Matth. 21:33-46). In deze laatste staat de wijngaard voor het beloofde Koninkrijk van God (Matth. 21:43).
Ook hier is de wijngaard niet slechts een beeld van Israël, zoals in Jesaja 5:7, want de uitspraak van eersten en laatsten wordt in het Lukas evangelie verbonden met hen die uit alle windstreken komen en ingaan in het Koninkrijk van God (Luk. 13:29-30). Het handelen van de heer in de gelijkenis met de arbeiders in de wijngaard illustreert een aspect van Gods handelen in het Koninkrijk van de hemelen.
2 En hij komt met de werkers tot overeenstemming, voor een denarius per dag, en hij stuurt hen naar zijn wijngaard.
De Heer van de wijngaard komt met de werkers die Hij inhuurt tot overeenstemming. Hij handelt rechtvaardig en geeft wat is overeengekomen. Als er later gemopper ontstaat, gaat dit niet over onrecht, maar dat de eerste groep meer verwacht te krijgen dan degenen die later gekomen zijn.