Paulus geeft in Efeze 3 aan dat aan hem door openbaring het geheim (>de verborgenheid) is bekendgemaakt. Hij zegt dat hij daar eerder al, “tevoren in het kort”, over heeft geschreven.
Sommigen stellen dat Paulus aan het begin van zijn apostelschap nog geen kennis had van dit geheimenis en dat dit hem pas later is geopenbaard. Aanvankelijk zou hij zich, net als de Twaalf, op Israël hebben gericht met het oog op de bekering van het volk. Pas toen het Joodse volk het evangelie afwees, zou hij zich tot de natiën hebben gewend.
tweedeling
Een gevolg van deze visie is dat er een tweedeling wordt aangebracht in de brieven van Paulus. Zijn “vroege brieven” zouden dan gericht zijn aan Israël en niet spreken over de ecclesia, het lichaam van Christus. Alleen de “late brieven”, van na de Handelingenperiode, zouden het geheim openbaren dat gelovigen uit de natiën één zijn met Christus.
Efeze 3
2 aangezien jullie horen van het beheer van de genade van God, dat aan mij gegeven wordt voor jullie,
3 dat door openbaring het geheim aan mij bekendgemaakt is, zoals ik tevoren in het kort schreef,
4 waaraan jullie bij het lezen, mijn inzicht kunnen verstaan in het geheim van de Christus.
eerder
Als Paulus zegt dat hij tevoren kort over het geheim heeft geschreven, kan dat volgens deze opvatting niet slaan op eerdere brieven, zoals Romeinen en Korinthe. Men legt “tevoren” dan uit als een verwijzing naar Efeze 1:9. Dat is echter een gekunstelde verklaring, ingegeven door het uitgangspunt dat Paulus in eerdere brieven nog niet over de verborgenheid kan hebben geschreven.
Paulus maakt duidelijk dat hij al vóór het schrijven van de Efeze brief kennis had van het geheim en er eerder over heeft geschreven. Zijn lezers kunnen daarin zijn inzicht in het geheim van de Christus verstaan.
brief
Als “zoals ik tevoren in het kort schreef” zou verwijzen naar Efeze 1:9, verliest die opmerking haar betekenis. Paulus zou dan slechts verwijzen naar iets wat hij enkele zinnen eerder in dezelfde brief heeft geschreven. Maar hij schreef een doorlopende brief, zonder hoofdstukindeling zoals wij die kennen.
Paulus kende dit geheim dus al eerder; het is hem aan het begin van zijn apostelschap geopenbaard. Daarom spreekt hij er ook al over in eerdere brieven, zoals in Romeinen 16:25 en 1 Korinthe 2:7.