Paulus’ apostelschap

In veel van zijn brieven benadrukt Paulus zijn apostelschap. Hij was afgevaardigd door Christus Jezus, de opgewekte. Steeds weer beklemtoond hij zijn bijzondere roeping. Aan hem was een andere bediening gegeven dan aan de twaalf.

Israël en de natiën
Want de twaalf werden gezonden tot Israël (Matth.10:5-6) en Jezus in zijn verblijf hier op aarde ook (Matth.15:24). Pas toen de Heer was opgestaan, riep Hij vanuit de hemel een 13e apostel: Paulus. Hij kreeg een andere bediening dan de twaalf en werd gezonden naar de natiën (Rom.11:13). Het evangelie dat Paulus werd toevertrouwd, wordt dan ook onderscheiden van dat wat aan de twaalf was gegeven: het evangelie van de voorhuid tegenover het evangelie van de besnijdenis (Gal.2:7).

mijn evangelie
Wie dit verschil niet onderkent, zal verdwalen in de bijbel en dingen door elkaar gaan halen. Waar God verschillen aanbrengt, zouden wij dit niet samenvoegen. Wie de brieven van Paulus leest, ontkomt er niet aan dat hij hier heldere uitspraken over doet. Hij spreekt van “mijn evangelie” (Rom.2:16, 2 Tim.2:8), “ons evangelie” (2 Thess.2:14), namelijk van Paulus, Silvanus en Timtheüs (:1),  “het evangelie dat ik onder de natiën verkondig” (Gal.2:2), enz.

overeenstemming
Wanneer hij in Galaten spreekt over de verschillende bedieningen, zegt Paulus dat er overeenstemming was tussen de twaalf en hemzelf over die verscheidenheid. Paulus had een evangelie voor de natiën, de twaalf hadden een boodschap voor het Joodse volk, de besnijdenis.

Galaten 2
9 en toen zij de genade erkenden, die aan mij gegeven is, gaven Jakobus, Kefas en Johannes, die steunpilaren schijnen te zijn, aan mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap: wij, inderdaad, tot de natiën, en zij tot de besnijdenis.