Bij het schrijven van een serie over een onderwerp als alverzoening kan het lastig zijn om te bepalen waar je begint. Het liefst zou ik meteen de teksten bespreken waar gesproken wordt over verzoening en de verzoening van de schepping en waar de begrippen “verzoening” en “verzoening van het al” worden uitgelegd. Maar met een onderwerp waarover zoveel misverstanden bestaan, is het goed om eerst op die misverstanden in te gaan.
verzoening van zonden?
We vinden het begrip verzoening enkel en alleen bij de apostel Paulus. Maar dat is niet zo in onze vertalingen, want daar vinden we het vertaalwoord “verzoening” ook vele malen in het oude testament en een aantal keren in het nieuwe testament voor een ander woord dan Paulus gebruikt. Er is dan sprake van “verzoening van zonden”, maar dit is niet wat er staat. Verzoening heeft te maken met het veranderen van vijandschap en heeft niets met zonden van doen. Daardoor hebben de vertalers ons opgezadeld met eenzelfde vertaalwoord “verzoening” voor twee totaal verschillende begrippen.
kaphar
In de Hebreeuwse bijbel vinden we vele malen het begrip kaphar, met name rond de offerdienst. Zo wordt er over het zonde-offer gezegd dat “dagelijks een stier als zonde-offer bereid moest worden, ter verzoening, en men het altaar moest ontzondigen, door er verzoening over te doen” (Ex.29:36). Twee maal vinden we in dit vers een vorm van het woord kaphar dat wordt weergegeven met “verzoening”. Vele tientallen keren wordt er in de vertalingen op vergelijkbare manieren gesproken over “verzoening van zonden” (zie bijv. Lev.4:20; 5:10; 16;30; Num.5:8).
bedekken of beschutten
Maar kaphar betekent geen “verzoenen”, maar bedekken of beschutten. Vaak wordt de betekenis van een begrip duidelijk gemaakt, bij de eerste keer dat het voorkomt in de bijbel. Dat geldt ook voor kaphar, waarvan we de eerste vermelding vinden in een heel andere context dan die van de offerdienst.
Genesis 6 GES
14 Maak voor jezelf een ark van zwavelhout; met nesten zal jij de ark maken, en jij beschut haar aan de binnenkant en aan de buitenkant met een beschuttende laag.
De Statenvertaling geeft hier weer: “gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek”. Twee keer is in dit vers sprake van kaphar: “bedekken met een bedekking”, of “beschutten met een beschutting”. Dat maakt duidelijk waar kaphar van spreekt. Het gaat hier over de ark, die bedekt zou worden en daardoor beschut en beschermd zou zijn, voor de wateren van de zondvloed waarmee God de wereld zou oordelen.
Jakob en Ezau
De tweede keer dat we het woord tegenkomen is ook in een niet religieuze context, die niets met zonde te maken heeft en ook in het boek Genesis. Daar is het Jakob die zijn broer Ezau tegemoet gaat. Twintig jaar eerder was hij voor hem gevlucht. Hij stuurt een drietal knechten vooruit, die Ezau om en om zullen ontmoeten, en hem een geschenk zullen geven.
Genesis 32 SW
20 En jullie zeggen ook: Aanschouw! Uw dienaar Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik maak een beschutting voor zijn aangezicht met het erkennings-geschenk dat voor mijn aangezicht uit gaat. En daarna zal ik zien of hij misschien zijn gezicht naar mijn gezicht zal opheffen.
Jakob stuurde knechten en geschenken vooruit om Ezau’s gezicht te bedekken. Jakob wil hiermee iets voor Ezau’s aangezicht plaatsen, zodat zijn veronderstelde toorn wordt afgeschermd.
bedekken van zonde
Wanneer kaphar wordt toegepast op zonde, gaat het niet primair om het wegnemen van zonde, maar om het bedekken en afschermen ervan. Zonden worden buiten het zicht gebracht, zodat zij geen aanklacht meer vormen. Zonde wordt als het ware bedekt, zodat zij niet langer blootligt voor oordeel. Het ging hier om offers die een voorafschaduwing waren van het offer van Christus. Bedekken of beschutten van zonde was de situatie totdat het ware Lam van God de zonde zou wegnemen (Joh.1:29). De wet is voorafschaduwing, een schaduw van toekomende dingen (Kol.2:17; Hebr.8:5; 10:1).
Yom Kipoer
Onder het oude verbond waren de zonden aanwezig, maar werden overdekt en niet toegerekend zolang zij bedekt waren. De naam Jom Kipoer, dat wij kennen als Grote Verzoendag, is afgeleid van kaphar. Letterlijk betekent het: dag van bedekkingen/beschuttingen. Op deze dag sprenkelde de hogepriester bloed op het verzoendeksel (=beschutplaats), ten behoeve van het volk, vanwege de onreinheden en vanwege de overtredingen en al hun zonden, om die te bedekken (Lev.16:14-16). Het bloed fungeerde als bedekking, vergelijkbaar met het pek op de ark: een bescherming tegen oordeel.
De bedekking van zonden in de Torah was reëel en geldig binnen het oude verbond. Zonden werden daadwerkelijk bedekt, zodat zij geen oordeel opriepen. Maar de zonde werd niet definitief weggenomen. De bedekking werkte tijdelijk en moest herhaald worden, wat laat zien dat het niet het einddoel was. Het wijst vooruit naar de latere en volledige oplossing in Christus, waarin zonde niet alleen bedekt, maar daadwerkelijk wordt weggenomen.