14. wat is (al)verzoening? elke knie zal buigen (slot)

In deze serie is duidelijk geworden dat aan Paulus het evangelie van de verzoening is toevertrouwd. Hij verkondigt dat God in Christus niet een deel, maar de wereld met Zich verzoent: het gans heelal. Verzoening veronderstelt altijd verandering: vijandschap maakt plaats voor vrede, vervreemding voor verbondenheid en eenheid. Wie eerst tegenover God stond, wordt tot Hem teruggebracht.

veranderen
Opmerkelijk is dat Paulus in het Nieuwe Testament de enige schrijver is die expliciet over verzoening spreekt. De woorden die hij gebruikt — katallagē, katallassō en apokatallassō — zijn opgebouwd rond het werkwoord allassō, dat “veranderen” betekent. Hetzelfde woord komt bijvoorbeeld voor in 1 Korinthe 15:51-52, waar gesproken wordt over verandering bij de opstanding. Daarmee wordt duidelijk dat verzoening bij Paulus altijd een daadwerkelijke omkeer veronderstelt. Het gaat niet om het negeren van vijandschap, maar om het beëindigen ervan. Verzoening is dus geen schijnvrede, maar herstel.

gedwongen of overtuigd?

Tegen deze achtergrond lezen we ook Paulus’ woorden in Filippenzen 2, waar hij zegt dat elke knie zich zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Vaak wordt dit verstaan als een gedwongen onderwerping: vijanden die tegen hun wil buigen en een belijdenis uitspreken zonder innerlijke verandering. Maar doet zo’n uitleg recht aan de tekst en aan Paulus’ eigen onderwijs?

Laten we het gedeelte zelf lezen:

Filippenzen 2
10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen, van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,
11 en elke tong van harte zou belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader.

Wie deze woorden leest in samenhang met Paulus’ boodschap van verzoening, kan moeilijk volhouden dat het hier gaat om een opgelegde, lege belijdenis. Integendeel: alles in deze context wijst op een belijdenis die voortkomt uit overtuiging en geloof.

1. De gezindheid van Christus

Paulus begint dit gedeelte niet met macht, maar met gezindheid. Hij roept de Filippenzen op gezind te zijn zoals Christus Jezus. Christus eiste Zijn rechten niet op, gebruikte Zijn positie niet om Zichzelf te verheffen, maar koos vrijwillig voor de weg van vernedering. Hij ontledigde Zichzelf, nam de gestalte van een slaaf aan en ging de weg van gehoorzaamheid tot in de dood.

Deze gezindheid staat haaks op het beeld van een heerser die onder dwang onderwerpt. De weg van Christus is die van overgave, niet van onderdrukking. Wie de knieën buigt en Hem erkent als Heer, doet dat niet omdat hij wordt gedwongen, maar omdat hij is overtuigd.

2. In de naam van Jezus

Het buigen gebeurt “in de naam van Jezus”. Dat verwijst terug naar het voorafgaande: God heeft Hem de Naam boven alle naam geschonken (:9). Die Naam is de Naam van JAHWEH Zelf. De naam Jezus betekent: JAHWEH redt.

Elke knie buigt zich dus in de naam van de Redder. Dat gegeven alleen al maakt duidelijk dat het hier niet gaat om een gedwongen capitulatie, maar om erkenning van wie Hij is en wat Hij doet.

3. Van harte belijden

Het werkwoord dat Paulus gebruikt voor belijden, is exomologeō. Dat woord drukt uit wat van binnen naar buiten komt. Het gaat om een belijdenis die voortkomt uit het innerlijk, uit het hart.

Ook elders in de Schrift heeft dit woord altijd een positieve, vrijwillige betekenis. Wat het hart vervult, komt via de mond naar buiten. Dat elke tong van harte zal belijden, sluit elke gedachte aan een afgedwongen uitspraak uit.

4. Jezus Christus is Heer

Wie belijdt dat Jezus Christus Heer is, erkent Zijn heerschappij en eigendom. Paulus leert elders dat Christus Heer is van allen (Rom. 10:12). In Filippenzen 2 wordt zichtbaar dat elk schepsel tot die erkenning zal komen — niet onder dwang, maar door inzicht en overtuiging.

5. Door de Geest

De Schrift leert bovendien dat niemand kan zeggen: “Jezus is Heer”, dan door heilige geest. Als elke tong deze belijdenis uitspreekt, kan dat alleen het gevolg zijn van Gods werk. Het is een belijdenis in geloof, niet een gedwongen onderwerping.

6. Redding verbonden aan Zijn naam

Paulus schrijft dat ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered. Als elke tong die naam belijdt en aanroept, dan volgt daaruit onvermijdelijk redding. God is immers de Redder van alle mensen (1 Tim. 4:10).

7. Tot heerlijkheid van God de Vader

Ten slotte benadrukt Paulus dat deze belijdenis plaatsvindt tot heerlijkheid van God de Vader. Eer en heerlijkheid worden niet voortgebracht door dwang, maar door vrijwillige erkenning. Gods doel is bereikt wanneer Zijn schepping Hem van harte erkent — wanneer alles tot Hem is teruggebracht.

Zo blijkt ook hier dat Paulus’ woorden in Filippenzen 2 niet losstaan van zijn evangelie van de verzoening, maar er juist een bevestiging van zijn. Wat begint met vijandschap, eindigt in erkenning; wat vervreemd was, wordt verzoend — tot heerlijkheid van God, de Vader.