In deze serie is duidelijk geworden dat aan Paulus het evangelie van de verzoening is toevertrouwd. Hij verkondigt dat God in Christus niet een deel, maar de wereld met Zich verzoent: het gans heelal. Verzoening veronderstelt altijd verandering: vijandschap maakt plaats voor vrede, vervreemding voor verbondenheid en eenheid. Wie eerst tegenover God stond, wordt tot Hem teruggebracht.
veranderen
Opmerkelijk is dat Paulus in het Nieuwe Testament de enige schrijver is die expliciet over verzoening spreekt. De woorden die hij gebruikt — katallagē, katallassō en apokatallassō — zijn verwant aan het werkwoord allassō, dat “veranderen” betekent. Hetzelfde woord komt bijvoorbeeld voor in 1 Korinthe 15:51-52, waar gesproken wordt over verandering bij de opstanding. Zoals we in deze serie hebben gezien, veronderstelt verzoening bij Paulus altijd een daadwerkelijke omkeer. Het gaat niet om het negeren van vijandschap, maar om het beëindigen ervan. Verzoening is dus geen schijnvrede, maar herstel.
gedwongen of overtuigd?
Tegen deze achtergrond lezen we ook Paulus’ woorden in Filippenzen 2, waar hij zegt dat elke knie zich zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Vaak wordt dit verstaan als een gedwongen onderwerping: vijanden die tegen hun wil buigen en een belijdenis uitspreken zonder innerlijke verandering. Maar doet zo’n uitleg recht aan de tekst en aan Paulus’ eigen onderwijs?
Laten we het gedeelte zelf lezen:
Filippenzen 2 ISA
10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen, van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,
11 en elke tong van harte zou belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader.
Wie deze woorden leest in samenhang met Paulus’ boodschap van verzoening, kan moeilijk volhouden dat het hier gaat om een opgelegde, lege belijdenis. Integendeel: alles in deze context wijst op een oprechte belijdenis die voortkomt uit innerlijke overtuiging.
1. De gezindheid van Christus
Paulus begint dit gedeelte niet met macht, maar met gezindheid. Hij roept de Filippenzen op gezind te zijn zoals Christus Jezus. Christus eiste Zijn rechten niet op, gebruikte Zijn positie niet om Zichzelf te verheffen, maar koos vrijwillig voor de weg van vernedering. Hij ontledigde Zichzelf, nam de gestalte van een slaaf aan en ging de weg van gehoorzaamheid tot in de dood.
Deze gezindheid staat haaks op het beeld van een heerser die onder dwang onderwerpt. De weg van Christus is die van overgave, niet van onderdrukking. Wie de knieën buigt en Hem erkent als Heer, doet dat niet omdat hij wordt gedwongen, maar omdat hij is overtuigd.
2. In de naam van Jezus
God heeft Hem de Naam boven alle naam geschonken (:9). In wat volgt, past Paulus woorden die in Jesaja 45 over JAHWEH worden gezegd toe op Jezus Christus. Ook Zijn naam spreekt van redding: Jezus betekent “JAHWEH redt”.
Elke knie buigt zich dus in de naam van de Redder. Dat past bij wat Paulus hier beschrijft: geen lege capitulatie, maar erkenning van wie Hij is en wat Hij doet.
3. Van harte belijden
Het werkwoord dat Paulus gebruikt voor belijden, is exomologeō. Het wordt in de Schrift gebruikt voor openlijke erkenning, belijdenis, dank en lof. Het beschrijft daarmee veel meer dan het onder dwang uitspreken van woorden. Elke tong zal openlijk en van harte erkennen dat Jezus Christus Heer is.
4. Jezus Christus is Heer
Wie belijdt dat Jezus Christus Heer is, erkent Zijn heerschappij en eigendom. Paulus leert elders dat Christus Heer is van allen (Rom. 10:12). In Filippenzen 2 wordt zichtbaar dat elk schepsel uiteindelijk tot die erkenning zal komen.
5. Door de Geest
De Schrift leert bovendien dat niemand kan zeggen: “Jezus is Heer”, dan door heilige geest. Als elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is, terwijl niemand kan zeggen “Jezus is Heer” dan door heilige geest,, kan dat alleen het gevolg zijn van Gods werk. Het is een belijdenis in geloof, niet een gedwongen onderwerping.
6. Redding verbonden aan Zijn naam
Ook elders verbindt Paulus de belijdenis dat Jezus Heer is rechtstreeks met redding. In Romeinen 10:9 schrijft hij dat wie met zijn mond belijdt dat Jezus Heer is en in zijn hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, gered zal worden. In Filippenzen 2 zegt hij dat uiteindelijk elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Ook dat pleit ertegen om deze woorden op te vatten als een lege belijdenis van vijanden die innerlijk vijandig blijven.
7. Tot heerlijkheid van God de Vader
Ten slotte benadrukt Paulus dat deze belijdenis plaatsvindt tot heerlijkheid van God de Vader. Het eindbeeld is daarmee niet dat een deel van de schepping God vijandig blijft terwijl het gedwongen buigt, maar dat elke knie zich buigt en elke tong Jezus Christus als Heer belijdt, tot heerlijkheid van God, de Vader.
Zo blijkt ook hier dat Paulus’ woorden in Filippenzen 2 niet losstaan van zijn evangelie van de verzoening, maar dit juist bevestigen. Wat begint met vijandschap, eindigt in erkenning; wat vervreemd was, wordt verzoend — tot heerlijkheid van God, de Vader.