Vanaf Abraham vinden we in de Bijbelse chronologie een opmerkelijk patroon van perioden van vijfhonderd jaar. Het woord chronologie betekent letterlijk: tijdrekening. De Bijbel beschrijft niet alleen gebeurtenissen, maar geeft daarbij ook allerlei gegevens over wanneer deze gebeurtenissen plaatsvinden en hoeveel tijd ertussen verstrijkt.
Zo vinden we in Genesis nauwkeurige leeftijden van Adam en zijn nakomelingen. Later worden perioden genoemd van bijvoorbeeld 400, 430, 450 en 480 jaar. Ook worden de regeringsjaren van de koningen vermeld. Door deze gegevens naast elkaar te leggen, ontstaat een doorgaande tijdlijn.
Het voert te ver om de hele Bijbelse chronologie hier te bespreken. Voor ons onderwerp is vooral het patroon vanaf Abraham van belang.
vier keer vijfhonderd jaar
Vanaf Abraham tot Christus vinden we vier opeenvolgende perioden van vijfhonderd jaar. Dat is een periode van in totaal tweeduizend jaar, die zich laat verdelen in vier gelijke tijdsblokken. De eerste drie perioden kunnen rechtstreeks uit de chronologische gegevens in de Schrift worden afgeleid. De vierde periode wordt gevormd door de zeventig jaarweken van Daniël en zal het onderwerp zijn van deze serie.
van Abraham tot de uittocht
De eerste periode loopt vanaf de geboorte van Abraham tot aan de uittocht uit Egypte. Deze periode van vijfhonderd jaar kunnen we op twee manieren berekenen.
God voorzegde aan Abraham dat zijn nageslacht vierhonderd jaar vreemdeling zou zijn (Gen. 15:13). Deze vierhonderd jaar rekenen we vanaf Izak, het beloofde zaad, die werd geboren toen Abraham honderd jaar oud was (Gen. 21:5). Vanaf de geboorte van Abraham tot aan de uittocht komen we daarmee op:
100 + 400 = 500 jaar
Maar we kunnen dezelfde periode ook op een andere manier berekenen. Paulus zegt dat er vanaf de belofte aan Abraham tot aan de wet 430 jaar verstreken (Gal. 3:17). Dat is dertig jaar langer dan de vierhonderd jaar die gerekend worden vanaf Izak. De belofte werd dus dertig jaar vóór de geboorte van Izak gegeven. Abraham was toen zeventig jaar oud:
70 + 430 = 500 jaar
Langs twee verschillende berekeningen komen we dus uit op dezelfde periode van vijfhonderd jaar vanaf de geboorte van Abraham tot aan de uittocht.
van de uittocht tot Salomo
De tweede periode loopt vanaf de uittocht tot aan de voltooiing van de bouwwerken van Salomo. In het 480e jaar na de uittocht begon Salomo met de bouw van de tempel (1 Kon. 6:1). De tempel en het koninklijk paleis werden in een periode van in totaal twintig jaar gebouwd (1 Kon. 9:10).
480 + 20 = 500 jaar
van Salomo tot Kores
De derde periode loopt vanaf Salomo tot aan Kores. Wanneer we de regeringsjaren van de koningen in Koningen en Kronieken bij elkaar optellen, komen we vanaf Salomo tot aan de verwoesting van Jeruzalem op 430 jaar. We zullen die hele optelsom hier niet maken, want dit getal wordt ook op een andere manier in de Schrift bevestigd.
een dag voor een jaar
Ezechiël krijgt van God de opdracht om 390 dagen op zijn linkerzijde te liggen voor de ongerechtigheid van het huis van Israël en vervolgens 40 dagen op zijn rechterzijde voor de ongerechtigheid van het huis van Juda. Daarbij zegt God: “een dag voor een jaar heb Ik jou gegeven” (Ez. 4:5-6). Samen zijn dit 390 + 40 = 430 jaar.
Na deze 430 jaar volgen de zeventig jaren van verwoesting die door Jeremia waren voorzegd en die eindigen in het eerste jaar van Kores (2 Kron. 36:21-22).
430 + 70 = 500 jaar
We vinden hier dus drie opeenvolgende perioden van precies vijfhonderd jaar:
van Abraham tot uittocht: 500 jaar
van uittocht tot Salomo: 500 jaar
van Salomo tot Kores: 500 jaar
Dat brengt ons bij de vierde en laatste periode.
van Kores tot Christus
Kores neemt een bijzondere plaats in binnen de Bijbelse geschiedenis. Lang voordat hij geboren werd, werd hij door Jesaja al bij name genoemd. God zou hem gebruiken om Jeruzalem te laten herbouwen en de tempel opnieuw te laten grondvesten:
Jesaja 44 (naar ISA)
28 Die tot Kores zegt: Mijn herder! Want hij zal al Mijn verlangen uitvoeren, en tot Jeruzalem zeggend: Zij zal gebouwd worden en de tempel: Zij zal gefundeerd worden.
In het eerste jaar van Kores komt er een einde aan de zeventig jaren van verwoesting en begint het herstel van Jeruzalem en de tempel (2 Kron. 36:22-23; Ezra 1:1-3).
Daniël
En juist hier komen we uit bij Daniël 9.
Daniël bevindt zich aan het einde van de zeventig jaren waarover Jeremia had geprofeteerd. Hij had in de geschriften begrepen dat JAHWEH voor de verwoesting van Jeruzalem een periode van zeventig jaar had bepaald (Dan. 9:2; Jer. 25:11-12; 29:10). Nu deze periode ten einde loopt, richt Daniël zich in gebed tot God. Hij belijdt de zonden van zijn volk en smeekt om herstel van Jeruzalem en het heiligdom (Dan. 9:3-19).
Terwijl Daniël nog bidt, verschijnt Gabriël om hem inzicht te geven (:20-23). Daniël hield zich bezig met een periode van zeventig jaren en krijgt vervolgens een nieuwe tijdsperiode bekendgemaakt: zeventig weken:
Daniël 9 (naar ISA)
24 Zeventig weken wordt afgescheiden over jouw volk en over jouw heilige stad…
Even later wordt ook het beginpunt van deze periode genoemd:
Daniël 9 (naar ISA)
25 Vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem terug te doen keren en te bouwen…
Deze zeventig weken voeren ons vanaf het herstel van Jeruzalem naar de Messias (Dan. 9:24-25). En daarmee komen we bij iets opmerkelijks. De drie voorgaande perioden beslaan elk precies vijfhonderd jaar. Zoals we in deze serie zullen zien, geldt dat ook voor deze vierde periode:
van Kores tot Christus: 500 jaar
vier tijdsblokken
Vanaf de geboorte van Abraham tot Christus zien we daarmee een bijzonder patroon:
van Abraham tot uittocht: 500 jaar
van uittocht tot Salomo: 500 jaar
van Salomo tot Kores: 500 jaar
van Kores tot Christus: 500 jaar
totaal: 2000 jaar
een periode van vijfhonderd jaar
Dat de laatste periode vijfhonderd jaar beslaat, vraagt uiteraard om onderbouwing. Zeventig jaarweken lijken op het eerste gezicht immers zeventig maal zeven, oftewel 490 jaar te zijn. Bovendien bestaat er verschil van mening over het beginpunt van deze profetie.
Om te begrijpen hoe we met deze periode moeten rekenen, moeten we eerst terug naar de zeventig jaren waarover Daniël aan het begin van Daniël 9 leest. Waarom waren voor de verwoesting van Jeruzalem juist zeventig jaar bepaald? Daar kijken we in de volgende blog naar.