In de vorige blog zagen we dat de slaven van de koning naar de wegen werden gestuurd om zoveel mensen als zij maar konden vinden tot de bruiloft te roepen. Zij verzamelden zowel kwaden als goeden en uiteindelijk werd de bruiloftszaal gevuld.
Daarmee zijn we aangekomen bij de bruiloft zelf. De bruiloftszaal is een uitbeelding van het toekomstige Koninkrijk. De gelijkenis gaat over de periode waarin het Koninkrijk nog verborgen is, maar nu krijgen we als het ware nog net een kijkje in de zaal wanneer het Koninkrijk openbaar wordt.
Daar blijkt iemand aanwezig te zijn die daar niet thuishoort.
de koning overziet de gasten
Mattheüs 22 (naar ISA)
11 En de koning kwam binnen om hen die aan tafel aanlagen gade te slaan, en hij zag daar een mens die geen bruiloftskleed aan had.
De zaal was gevuld en de gasten lagen aan tafel. Dan komt de koning binnen en ziet hij iemand die geen bruiloftskleed draagt. Dat deze man geen bruiloftskleed draagt, is blijkbaar direct zichtbaar. De Schrift laat op meerdere plaatsen zien dat in die toekomstige tijd herkenbaar kan zijn bij wie iemand hoort. De 144.000 worden verzegeld en ook het beest geeft degenen die hem toebehoren een merkteken (Openb. 7:1-4; 13:16-17).
bekleed met heerlijkheid
Het gaat in deze gelijkenis natuurlijk om de overdrachtelijke betekenis van het bruiloftskleed. Kleding is in de Schrift vaker een uitbeelding van de positie en heerlijkheid waarmee iemand wordt bekleed. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Jesaja 61, waar gesproken wordt over het toekomstige herstel van Israël:
Jesaja 61 (naar ISA)
10 Ik verheug mij zeer in JAHWEH,
mijn ziel juicht in mijn God,
want Hij bekleedt mij met klederen van redding,
met de mantel van rechtvaardigheid omhult Hij mij,
zoals een bruidegom zich tooit met een hoofdsieraad,
en zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.
Degene die hier bekleedt, is JAHWEH. Hij bekleedt met “klederen van redding” en een “mantel van rechtvaardigheid”. Opmerkelijk is dat deze bekleding in hetzelfde vers wordt vergeleken met de kleding en sieraden van een bruidegom en een bruid. Dat sluit nauw aan bij het beeld dat we in onze gelijkenis vinden.
Het bruiloftskleed spreekt daarmee van wat God geeft en waarmee Hij iemand bekleedt om te kunnen delen in de heerlijkheid van het Koninkrijk. De man in de gelijkenis mist juist dat kleed. Wanneer de koning binnenkomt om de gasten gade te slaan, wordt zichtbaar dat hij niet bij degenen hoort die in de bruiloft zullen delen.
Dat roept natuurlijk een vraag op. Hoe is deze man dan überhaupt in de bruiloftszaal terechtgekomen?
hoe kwam jij hier binnen?
Mattheüs 22 (naar ISA)
12 En hij zei tegen hem: Vriend, hoe kwam jij hier binnen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.
De koning stelt precies die vraag: “Hoe kwam jij hier binnen zonder bruiloftskleed?” Het antwoord is eigenlijk eenvoudig: hij was er al.
We moeten bij deze gelijkenis niet denken aan een bruiloftszaal ergens in de hemel, waar iemand op de een of andere manier ongezien naar binnen is gekomen. Het Koninkrijk van de hemelen wordt op aarde gevestigd. Wanneer dat Koninkrijk aanvangt, bevinden zich op aarde zowel gelovigen als ongelovigen.
In de vorige blog zagen we dat vóór de komst van het Koninkrijk het evangelie van het Koninkrijk in de gehele bewoonde wereld zal worden geproclameerd (Matth. 24:14). Er zullen mensen zijn die deze boodschap geloven, maar ook velen die dat niet doen. Wanneer het Koninkrijk vervolgens aanvangt, worden de ongelovigen van de aarde verwijderd. Zij delen niet in de toekomende aeon en daarmee niet in de bruiloft die in deze gelijkenis wordt uitgebeeld.
De vraag is dus niet zozeer hoe deze man de zaal is binnengekomen. De zaal is een beeld van het Koninkrijk dat gevestigd wordt op de aarde waarop hij zich al bevond.
hij verstomde
Op de vraag van de koning heeft de man geen antwoord:
“En hij verstomde.”
Hij probeert zich niet te verdedigen en voert geen excuus aan. Wanneer de koning hem gadeslaat, wordt duidelijk dat hij niet bij degenen hoort die aan de bruiloft zullen deelnemen. Dat hij verstomt, laat zien dat er niets tegen de vaststelling van de koning ingebracht kan worden. Wanneer de waarheid aan het licht wordt gebracht, heeft de mens daar niets tegenin te brengen.
weggenomen
13 Toen zei de koning tegen de dienaren: Bind hem aan handen en voeten en werp hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het huilen zijn en het knarsen van de tanden.
De man wordt uit de bruiloftszaal verwijderd. Op de betekenis van de “buitenste duisternis” en “het huilen en het knarsen van de tanden” komen we in de volgende blog uitgebreid terug. Voor nu is vooral van belang dát hij wordt uitgeworpen.
Dat principe vinden we ook in Mattheüs 24. Daar vergelijkt de Heer de tijd van Zijn komst met de dagen van Noach. De mensen in de dagen van Noach gingen gewoon door met hun dagelijkse leven, totdat de vloed kwam en hen allen wegnam (Matth. 24:37-39). Vervolgens zegt Jezus:
Mattheüs 24 (naar ISA)
40 Dan zullen er twee in het veld zijn, één wordt meegenomen en één wordt gelaten;
41 twee vrouwen zijn aan het malen in de molen, één wordt meegenomen en één wordt gelaten.
Vaak worden deze verzen betrokken op de wegrukking van de ecclesia. Maar de context laat precies het tegenovergestelde zien. Zoals in de dagen van Noach de ongelovigen door de vloed werden weggenomen, zo wordt ook hier degene die wordt meegenomen verwijderd. Degene die wordt gelaten, blijft achter om het Koninkrijk binnen te gaan.
Dat is precies wat we in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft zien. De man zonder bruiloftskleed wordt weggenomen. De anderen worden gelaten en blijven in de bruiloftszaal.
het onkruid verwijderd
Deze gedachte kwamen we eerder al tegen in de gelijkenissen van Mattheüs 13. In de gelijkenis van het onkruid groeien de tarwe en het onkruid samen op tot de oogst. Wanneer Jezus de gelijkenis uitlegt, zegt Hij:
Mattheüs 13 (naar ISA)
40 Zoals dan het onkruid wordt bijeengeraapt en met vuur wordt verbrand, zo zal het zijn in de voleinding van de aeon.
41 De Zoon van de mens zal Zijn boodschappers sturen en zij zullen uit Zijn Koninkrijk alle valstrikken bijeenrapen en hen die de wetteloosheid doen.
Het Koninkrijk vangt aan en degenen die daar geen deel aan hebben, worden eruit verwijderd. Het is dus niet de tarwe die wordt weggenomen, maar het onkruid.
het slechte eruit
Hetzelfde zagen we in de gelijkenis van het sleepnet:
Mattheüs 13 (naar ISA)
47 Opnieuw, het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een sleepnet dat in de zee werd geworpen en uit elke soort verzamelde.
48 Toen het vol was, trokken zij het op het strand, en zij gingen zitten en verzamelden de goede in vaten, maar de slechte wierpen zij eruit.
49 Zo zal het zijn in de voleinding van de aeon. De boodschappers zullen uitgaan en de boosaardigen uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen.Ook daar worden eerst allen verzameld en vindt vervolgens de scheiding plaats. Niet de rechtvaardigen worden verwijderd, maar de boosaardigen worden uit hun midden afgezonderd.
We vinden dus steeds hetzelfde patroon. In de gelijkenis van het onkruid wordt het onkruid verwijderd. In de gelijkenis van het sleepnet wordt het slechte eruit geworpen. In Mattheüs 24 wordt de één weggenomen en de ander gelaten. En in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft wordt de man zonder bruiloftskleed uit de zaal geworpen.
Het zijn verschillende beelden van dezelfde gebeurtenis: bij de aanvang van het Koninkrijk worden de ongelovigen verwijderd, terwijl degenen die het Koninkrijk binnengaan op aarde worden gelaten. In deze gelijkenis wordt dat uitgebeeld door de man die geen bruiloftskleed draagt.
Maar waar wordt hij dan heen gebracht? Jezus zegt dat hij wordt uitgeworpen in “de buitenste duisternis”. En daar zal “het huilen en het knarsen van de tanden” zijn. Deze woorden worden vaak uitgelegd als een beschrijving van pijniging in de hel. Maar dat is niet wat deze beelden betekenen.
Daarover gaat de volgende en laatste blog over deze gelijkenis.