3. de 70 weken van Daniël: de zeventig jaar verwoesting

In de vorige blog zagen we dat de profetie van de zeventig jaarweken niet op zichzelf staat. Zij maakt deel uit van een veel grotere Bijbelse chronologie. Vanaf Abraham tot Christus vinden we vier opeenvolgende perioden van vijfhonderd jaar.

De derde periode van vijfhonderd jaar eindigt met de zeventig jaar verwoesting die door Jeremia waren voorzegd. Deze zeventig jaar vormen de directe aanleiding voor de profetie van de zeventig jaarweken. Daniël leest namelijk in de profetieën van Jeremia dat deze periode ten einde loopt. Maar waarom was er eigenlijk precies een periode van zeventig jaar verwoesting bepaald?

zeventig jaar
Jeremia had de verwoesting van Jeruzalem en de heerschappij van Babel lang van tevoren aangekondigd. Het volk had niet geluisterd naar de profeten die JAHWEH tot hen had gezonden en daarom zou het oordeel komen:

Jeremia 25 (naar ISA)
11 En heel dit land zal worden tot verwoesting, tot troosteloosheid, en deze natiën zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.

Na deze zeventig jaar zou God afrekenen met de koning van Babel en zijn natie (:12). Op een andere plaats zegt Jeremia dat wanneer de zeventig jaar voor Babel vervuld zouden zijn, JAHWEH naar Zijn volk zou omzien en Zijn goede woord zou vervullen door hen naar het land te doen terugkeren (Jer. 29:10).

De duur van deze periode stond dus vast. Jeruzalem zou worden verwoest, het volk zou in ballingschap gaan en pas na zeventig jaar zou er herstel komen.

het land zou rusten
Maar waarom zeventig jaar? Aan het einde van 2 Kronieken wordt niet alleen vermeld dát Jeremia’s profetie werd vervuld, maar wordt ook verklaard waarom het land deze periode van rust kreeg. Na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en de wegvoering van het volk lezen we:

2 Kronieken 36 (naar ISA)
21 …om het woord van JAHWEH door de mond van Jeremia te vervullen, totdat het land zijn sabbatten vergoed had. Al de dagen van zijn verwoesting heeft het gerust, om zeventig jaar te vervullen.

De zeventig jaar waren dus niet zomaar een willekeurig gekozen termijn. Het land kreeg in deze jaren zijn sabbatten vergoed. Om te begrijpen wat hiermee wordt bedoeld, moeten we terug naar de wet die God aan Israël had gegeven.

een sabbat voor het land
Toen Israël het land binnenging, moest niet alleen het volk de sabbat houden. Ook het land zelf kreeg een sabbat. JAHWEH had daarover tegen Mozes gezegd:

Leviticus 25 (naar ISA)
2 Wanneer jullie komen in het land dat Ik jullie geef, dan zal het land een sabbat rusten voor JAHWEH.
3 Zes jaren zal jij jouw land zaaien en zes jaren zal jij jouw wijngaard snoeien en zamel jij haar opbrengst in.
4 Maar in het zevende jaar zal er een sabbat van rust zijn voor het land, een sabbat voor JAHWEH. Jouw akker zal jij niet zaaien en jouw wijngaard zal jij niet snoeien.

Zes jaar mocht Israël het land bezaaien, de wijngaard snoeien en de opbrengst verzamelen. Maar het zevende jaar was “een sabbat van rust voor het land” (:4). Er mocht niet worden gezaaid en niet worden gesnoeid. Het land moest rusten.

We vinden hier dus dezelfde tijdrekening die later van groot belang zal blijken voor de profetie van Daniël: zes jaren gevolgd door een zevende jaar, het sabbatsjaar. Maar Israël hield deze sabbatten niet zoals God had opgedragen.

de sabbatten vergoed
Dat het land zijn gemiste sabbatten alsnog zou krijgen, was eveneens van tevoren aangekondigd. In Leviticus 26 waarschuwde JAHWEH Israël voor wat er zou gebeuren wanneer het volk Hem ongehoorzaam zou zijn. Het volk zou uit het land worden verdreven:

Leviticus 26 (naar ISA)
33 En Ik zal jullie verstrooien onder de natiën en Ik zal het zwaard achter jullie aan trekken. En jullie land zal een verwoesting zijn en jullie steden zullen een woestenij zijn.
34 Dan zal het land zijn sabbatten aanvaarden, al de dagen dat het verwoest ligt en jullie in het land van jullie vijanden zijn. Dan zal het land rusten en zijn sabbatten vergoeden.
35 Al de dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte tijdens jullie sabbatten, toen jullie erop woonden.

En verderop wordt nog eens samengevat wat er met het land en het volk zou gebeuren:

Leviticus 26 (naar ISA)
43 Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatten vergoed krijgen, terwijl het verwoest ligt zonder hen; en zij zullen de straf voor hun ongerechtigheid dragen, omdat zij Mijn bepalingen verwierpen en hun ziel van Mijn inzettingen een afkeer had.

Wat in Leviticus als waarschuwing was aangekondigd, wordt aan het einde van 2 Kronieken werkelijkheid. Israël wordt uit het land verdreven en het land komt braak te liggen. De sabbatten die het tijdens Israëls verblijf niet had gekregen, worden alsnog vergoed. En dat gebeurt gedurende zeventig jaar.

zeventig sabbatsjaren
Dat betekent dat de zeventig jaar verwoesting staan voor zeventig sabbatsjaren die het land tegoed had. Ieder zevende jaar behoorde immers een sabbatsjaar te zijn. Maar bij deze sabbatsjaren hoorde nog een andere tijdrekening. Na zeven sabbatsjaren, zeven maal zeven jaren, volgde het jubeljaar:

Leviticus 25 (naar ISA)
8 En jij telt voor jezelf zeven sabbatten van jaren, zeven jaren zeven keer, en de dagen van de zeven sabbatten van jaren zullen voor jou negenenveertig jaar zijn.

Na deze 49 jaar werd het daaropvolgende jaar apart gezet:

10 En jullie zullen het jaar, het vijftigste jaar, heiligen…

Iedere cyclus van vijftig jaar bevatte dus zeven sabbatsjaren. Wanneer het land zeventig sabbatsjaren vergoed kreeg, gaat het om tien van zulke cycli:

10 × 7 sabbatsjaren = 70 sabbatsjaren
10 × 50 jaar = 500 jaar

Dat is opmerkelijk. In de vorige blog zagen we dat vanaf Salomo tot Kores vijfhonderd jaar verlopen: 430 jaar tot aan de verwoesting van Jeruzalem en vervolgens zeventig jaar verwoesting. Ook het aantal van zeventig sabbatsjaren past precies binnen tien jubeljaarcycli van vijftig jaar.

Daarmee wordt ook duidelijk wat de vier perioden van vijfhonderd jaar uit de vorige blog samen voorstellen. Viermaal vijfhonderd jaar is tweeduizend jaar, oftewel veertig jubeljaarcycli van vijftig jaar.

van zeventig jaren naar zeventig weken
Aan het einde van deze zeventig jaar komen we uit bij Daniël 9. Daniël leest in de geschriften van Jeremia:

Daniël 9 (naar ISA)
1 In het eerste jaar van Darius (…)
2 in het eerste jaar van zijn regeren, begreep ik, Daniël, uit de boekrollen, dat het getal van de jaren dat het woord van JAHWEH tot Jeremia, de profeet kwam, dat Hij over de verwoestingen van Jeruzalem zeventig jaar zou vervullen.

Daniël weet dus dat de vastgestelde termijn ten einde loopt. Daarom richt hij zich tot God. Hij belijdt de zonden van zijn volk en pleit voor Jeruzalem, de heilige berg en het verwoeste heiligdom (:3-19).

Terwijl Daniël nog bidt, verschijnt Gabriël en maakt hem een nieuwe periode bekend:

Daniël 9 (naar ISA)
24 Zeventig weken wordt bepaald over jouw volk en over jouw heilige stad…

Dat verband is veelzeggend. Daniël hield zich bezig met zeventig jaren die het land waren gegeven ter vergoeding van zijn sabbatten. En juist op dat moment krijgt hij een profetie over zeventig zevens, oftewel zeventig jaarweken.

De sabbatsrekening vormt daarmee niet slechts de achtergrond van de zeventig jaar verwoesting. Zij vormt ook de directe achtergrond van de zeventig jaarweken die Gabriël vervolgens bekendmaakt.

Wat zijn deze jaarweken precies en hoe moeten we ermee rekenen? Dat zullen we in de volgende blog bekijken.