Richteren 8:27 een valstrik

Gideon maakte de efod van het goud van de overwinning en plaatste deze in Ofra. Wat er vervolgens gebeurt, wordt in veel commentaren misverstaan. Men leest de tekst vaak alsof Gideon het volk zou hebben verleid tot een door God verboden vorm van verering en daarmee het tweede gebod zou hebben overtreden (Ex.20:4–5), vergelijkbaar met het gouden kalf in de woestijn.

Richteren 8
27 En Gideon maakte het tot een efod en hij zette hem neer in zijn stad, in Ofra. En heel Israël hoereerde ermee. En het werd voor Gideon en voor zijn huis tot een valstrik.

hoererij
Veel lezers benaderen dit vers met een ethische bril, alsof Gideon iets verkeerds deed. De tekst vermeldt echter niet dat zijn handelen verkeerd was; het was Israël dat hoereerde met de efod. Dit is vergelijkbaar met de koperen slang, die Mozes op Gods bevel had gemaakt (Num.21:8–9): wie opzag naar de slang werd gered.

afgoderij
De koperen slang is een voorafschaduwing van Christus (Joh.3:14), maar Israël ging het voorwerp zelf vereren in plaats van de Maker (2 Kon.18:4). Op dezelfde manier was de efod, net als de koperen slang later in de dagen van Hizkia, een voorwerp van verering geworden.

In de Bijbel is hoererij gelijk aan het nalopen van andere goden (Ez.23:30; Hos.1:2). Israël miskende de betekenis van de efod en hoereerde ermee, waardoor het oorspronkelijke doel van het voorwerp verloren ging.

valstrik
Gideon deed iets waardoor Israël viel. Hij maakte een priesterlijk kleed en daardoor struikelde Israël en viel in afgoderij. Het spreekt van de Heer Jezus Christus, die na Zijn opstanding Hogepriester werd en zich verborg in het hemels heiligdom (Hebr.9;12,24). Het huis van Israël gelooft niet in Hem en dat is hun geworden tot een valstrik.

Romeinen 9
32 (…) Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,
33 zoals het geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots van valstrik, en wie op hem zijn geloof vestigt, zal niet beschaamd worden.