In de vorige blog zagen we dat de koning zijn slaven eropuit stuurt om degenen die al genodigd waren tot de bruiloft te roepen. Deze geroepenen zijn een uitbeelding van Israël. Het Koninkrijk was aan hen beloofd en toen de Koning kwam, klonk de oproep om Hem te ontvangen. Maar de reactie wordt kort samengevat: “zij wilden niet komen”.
Daarmee houdt de oproep echter niet op. De koning stuurt opnieuw slaven uit. Alles is gereed en de genodigden worden nogmaals geroepen.
andere slaven
Mattheüs 22 (naar ISA)
4 Opnieuw stuurde hij andere slaven, en hij zei: Zeg tot de geroepenen: Zie, ik heb mijn middagmaaltijd gereedgemaakt, mijn stieren en de vetgemeste beesten zijn geslacht, en alles is gereed; kom hier, tot de bruiloft.
Er staat nadrukkelijk dat de koning opnieuw slaven stuurt, en ditmaal zijn het andere slaven. In de vorige gelijkenis, die van de boze wijngaardeniers, zagen we een vergelijkbaar patroon. De eigenaar stuurde zijn slaven naar de landbouwers, maar zij werden mishandeld en gedood. Vervolgens stuurde hij opnieuw andere slaven, zelfs meer dan de eerste, maar met hen gebeurde hetzelfde (Matth. 21:35-36).
profeten, Johannes de Doper en apostelen
Eeuwenlang had God Zijn profeten tot Israël gezonden. Maar met de komst van Johannes de Doper en Jezus klinkt de boodschap dat het Koninkrijk nabij is gekomen. Later worden ook de apostelen uitgezonden. Zij verkondigen eveneens het evangelie van het Koninkrijk aan Israël. De oproep blijft dus klinken.
Zelfs na de dood en opstanding van Christus wordt Israël nog tot bezinning geroepen. Petrus zegt kort na Pinksteren tegen zijn volksgenoten:
Handelingen 3 (naar ISA)
19 Bezin je dan en keer je om, tot het uitgewist worden van jullie zonden, zodat tijden van verfrissing zullen komen van het aangezicht van de Heer,
20 en dat Hij afvaardigt, die voor jullie tevoren bestemd is, Christus Jezus,
21 Die de hemel moet ontvangen tot op de tijden van herstel van alle dingen, waarvan God spreekt door de mond van Zijn heilige profeten vanaf de aeon.
De Messias was door het volk verworpen en gekruisigd, maar zelfs daarna stond de deur nog open. Israël werd opnieuw opgeroepen zich te bezinnen en om te keren. Wanneer het volk gehoor zou geven, zou God de Messias vanuit de hemel zenden en zouden de aangekondigde tijden van herstel aanbreken.
Dat maakt de woorden van de koning des te opmerkelijker:
“…alles is gereed; kom hier, tot de bruiloft.”
Alles wat nodig is, is gereedgemaakt. De genodigden hoeven slechts gehoor te geven aan de oproep en te komen.
zij sloegen er geen acht op
Mattheüs 22 (naar ISA)
5 En zij sloegen er geen acht op, en zij gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handelswaar.
De eerste keer lezen we dat zij niet wilden komen. Nu klinkt opnieuw de oproep, maar zij slaan er geen acht op. Zij gaan eenvoudig verder met hun eigen bezigheden. De een gaat naar zijn akker en de ander naar zijn handelswaar.
Het laat zien hoe weinig waarde zij hechtten aan de uitnodiging van de koning. Alles was gereed, maar andere zaken hadden hun aandacht. De uitnodiging tot de bruiloft werd genegeerd.
Dit sluit aan bij wat we eerder zagen in de gelijkenis van de twee zonen. De godsdienstige leiders hadden Johannes de Doper niet geloofd, terwijl tollenaars en hoeren hem wel geloofden. Zelfs toen zij dat zagen, hadden zij achteraf geen berouw om hem alsnog te geloven (Matth. 21:32). De oproep had geklonken en het bewijs lag voor hun ogen, maar zij sloegen er geen acht op.
de slaven gedood
Niet iedereen laat het echter bij onverschilligheid.
6 En de overigen grepen zijn slaven, en zij beledigden hen, en zij doodden hen.
Sommigen negeren de boodschappers, anderen keren zich tegen hen. Ook dit zagen we al in de vorige gelijkenis. De landbouwers sloegen de slaven van de eigenaar, doodden hen en stenigden hen (21:35). De gelijkenissen lopen op dit punt vrijwel parallel.
Stefanus wijst in Handelingen 7 precies op dit patroon wanneer hij de leiders van Israël toespreekt:
Handelingen 7 (naar ISA)
51 Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, jullie botsen steeds met de heilige geest! Zoals jullie vaders, zo ook jullie!
52 Wie van de profeten vervolgden jullie vaders niet? En zij doodden hen die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie jullie nu verraders en moordenaars zijn geworden.
Stefanus verbindt het verleden rechtstreeks met zijn eigen tijd. Hun vaderen hadden de profeten vervolgd die de komst van Christus aankondigden. Vervolgens hadden zij Christus Zelf gedood. En ook degenen die daarna tot hen werden gezonden, werden vervolgd. Stefanus ondervond dit onmiddellijk zelf: na zijn woorden werd hij buiten de stad geworpen en gestenigd.
Ook Jezus Zelf vat deze geschiedenis kort daarna samen:
Mattheüs 23 (naar ISA)
37 Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en degenen die tot haar afgevaardigd zijn stenigt, hoe vaak wil Ik jouw kinderen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels bijeenvergadert; en jullie willen niet.
38 Zie, jullie huis wordt aan jullie overgelaten, woest.
Opnieuw vinden we daar dezelfde woorden als aan het begin van onze gelijkenis: jullie willen niet. God zond Zijn boodschappers, maar zij werden afgewezen en zelfs gedood.
hun stad
Daarop volgt het oordeel:
Mattheüs 22 (naar ISA)
7 En de koning werd boos, en hij zond zijn legers, en hij bracht die moordenaars om, en hij stak hun stad in brand.
De koning wordt boos vanwege wat met zijn slaven is gedaan. Hij stuurt zijn legers, brengt de moordenaars om en steekt hun stad in brand. Welke stad bedoeld wordt, ligt voor de hand. Jezus spreekt deze woorden in Jeruzalem tegen de leiders van het volk. Een hoofdstuk later zegt Hij tegen Jeruzalem: “jullie huis wordt aan jullie overgelaten, woest” (23:38).
En wanneer de discipelen Hem daarna op de gebouwen van de tempel wijzen, zegt Hij:
“Er zal hier absoluut geen steen op een steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden” (Matth. 24:2).
Jeruzalem verwoest
Enkele tientallen jaren later, in het jaar 70, werd Jeruzalem door de Romeinse legers verwoest en ging ook de tempel in vlammen op. De koning in de gelijkenis noemt de legers die dit uitvoeren opvallend genoeg zijn legers. Het waren Romeinse legers, maar in de gelijkenis zijn zij het middel waardoor het oordeel van de koning wordt uitgevoerd. De verwoesting van Jeruzalem was daarmee een oordeel over de afwijzing van de Messias en degenen die God tot het volk had gezonden.
Ook dit oordeel zagen we in de vorige gelijkenis al aangekondigd. Toen Jezus vroeg wat de eigenaar met de boze landbouwers zou doen, luidde het antwoord dat hij die kwaden op kwalijke wijze zou ombrengen en de wijngaard aan andere landbouwers zou verhuren (21:40-41). Daarna zegt Jezus dat het Koninkrijk van hen zal worden weggenomen en aan een andere natie zal worden gegeven (21:43).
De gelijkenis van de koninklijke bruiloft gaat op datzelfde punt verder. De oorspronkelijk geroepenen hebben geweigerd, de boodschappers zijn verworpen en hun stad wordt geoordeeld.
Maar de bruiloft gaat door. De weigering van de genodigden maakt Gods voornemen niet ongedaan. De koning zegt vervolgens:
“De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard” (:8).
Daarom worden de slaven nu ergens anders heen gestuurd. Zij moeten naar de kruispunten van de wegen gaan en iedereen roepen die zij daar vinden. De oorspronkelijke geroepenen wilden niet komen, maar de bruiloftszaal zal toch worden gevuld.