9. de gelijkenis van de boze wijngaardeniers (5): de verworpen steen

In de vorige blog zagen we dat het Koninkrijk van Israël werd weggenomen en aan een andere natie werd gegeven. Jezus onderbouwt Zijn woorden door Psalm 118 aan te halen. Daarmee introduceert Hij een nieuw beeld. In de gelijkenis was het de zoon die werd verworpen en gedood, maar in Psalm 118 is het een steen die door de bouwlieden wordt verworpen.

Mattheüs 21 (naar ISA)
42 Jezus zei tegen hen: Lazen jullie nooit in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verwierpen, deze was tot hoeksteen (letterlijk: hoofd van hoek, zie Statenvertaling) geworden; bij de Heer gebeurde dit, en het is wonderbaarlijk in onze ogen?

de steen
De betekenis van de steen is tweeledig. Ten eerste is het een uitbeelding van Christus (1 Kor. 10:4). We vinden nogal wat rotsen en stenen in de bijbel. Denk aan de steen waarop Jakob zijn hoofd te ruste legde en die hij oprichtte en zalfde met olie (Gen.28:18), of het vijfde steentje waar David Goliath mee versloeg (1 Sam. 17:40), maar bovenal de weggewentelde steen bij het graf van Jezus (Joh. 20:1). Ze spreken allen van Hem, die de vijand versloeg, opstond uit de dood en de garantie is dat allen worden levend gemaakt.

Maar de steen is ook een uitbeelding van het Koninkrijk van de Messias, dat uiteindelijk aan alle menselijke heerschappij een einde zal maken (Dan. 2:44-45).

Hoofd des hoeks
De steen die de bouwlieden verwierpen, spreekt van de verwerping van de Messias door het Joodse volk, met name hun leidslieden (Hand. 4:11). De bouwlieden uit Psalm 118 zijn dezelfden als de landbouwers in de gelijkenis. Door de Messias te verwerpen, verwierpen zij ook het Koninkrijk.

Maar de steen die zij verwierpen, werd Hoofd des hoeks. Christus, de Steen die door Israël werd verworpen, werd Hoeksteen van een ander bouwwerk: Gods geestelijke woonplaats en tempel. Hij werd Hoofd van de ecclesia (Ef. 2:19-22).

44 En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij als kaf doen verstuiven.

Israël verstrooid
Israël heeft zich gestoten aan Christus, de Steen, en is erover gestruikeld (Jes. 8:14-15; Rom. 9:32-33). Israël zou als natie omkomen, zoals Ezechiël 37 het volk voorstelt als een dal vol dorre doodsbeenderen.

Maar ook daar is de nationale dood niet het einde. Ezechiël voorzegt dat de beenderen weer bij elkaar komen en tot leven worden gebracht. De terzijdestelling en verstrooiing van Israël zijn tijdelijk.

Het tweede deel van vers 44 wordt meestal vertaald met “en op wie hij valt, zal hij vermorzelen”, maar het woord dat hier wordt gebruikt betekent: als kaf doen verstuiven. Dat sluit nauwkeurig aan bij wat er met Israël gebeurde. Het volk zou niet alleen als natie omkomen, maar ook worden verstrooid onder de natiën.

45 En wanneer de overpriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, wisten zij, dat Hij over hen sprak.

zij begrepen het
In eerste instantie begrepen de overpriesters en farizeeën de gelijkenissen niet, maar nu begrijpen zij dat Hij over hen sprak. Jezus had de woorden uit Psalm 118 op hen toegepast en vervolgens ronduit gezegd: “Het Koninkrijk van God zal van jullie weggenomen worden”.

46 En zoekende Hem te grijpen, waren zij bevreesd voor de schare, omdat zij Hem voor een profeet hielden.

We lezen diverse keren dat de menigte Jezus hield voor een profeet (Luk. 7:16; Joh. 7:40). De leidslieden wilden Hem grijpen, maar vreesden de menigte. Later zouden zij overleggen hoe zij Hem konden doden (Matth. 26:4; Joh. 11:53).

Daarmee eindigt deze gelijkenis, maar het gesprek met de leidslieden nog niet. De volgende gelijkenis, die van de koninklijke bruiloft, sluit rechtstreeks aan op wat hier gebeurt.