Het vergelijkingsverhaal dat de Heer vertelt, eindigt met de dood van de zoon, die door de landbouwers buiten de wijngaard wordt geworpen en omgebracht. Het is niet moeilijk om hierin een voorafschaduwing te zien van wat de Joodse leidslieden met Jezus zouden doen. Het is het einde van het verhaal dat de Heer hen vertelde en wat volgt is een gesprek tussen Jezus en de overpriesters en farizeeën.
Mattheüs 21 (naar ISA)|
40 Wanneer, dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landbouwers doen?
41 Zij zeggen tegen Hem: Hij zal die kwaden op kwalijke wijze ombrengen…
omgebracht
Na het uitspreken van de gelijkenis, wendt Jezus Zich tot de overpriesters en farizeeën en vraagt hun wat de heer van de wijngaard met die landbouwers zou doen. Zij geven antwoord en voorzeggen hiermee onbedoeld hun eigen lot: Hij zal die kwaden op kwalijke wijze ombrengen. Het woord “ombrengen” (Grieks: apollumi) wordt elders vertaald met “verloren (doen) gaan” (o.a. Matth. 10:6; Joh. 3:16).
In de volgende gelijkenis is de Heer nog explicieter en zegt: “…en hij brengt die moordenaars om, en hij steekt hun stad in brand” (Matth. 22:7). Dat is precies wat er met de stad Jeruzalem gebeurde in 70 na Chr.
41 …en de wijngaard zal hij aan andere landbouwers uitgeven, die hem de vruchten, op hun tijden zullen geven.
Israël zou als volk terzijde worden gesteld en redding zou naar de natiën worden gezonden (Hand. 28:28). De natiën kregen hierdoor deel aan de geestelijke goederen van Israël (Rom. 15:27), waar de wijngaard een uitbeelding van is. Het werd aan een ander volk gegeven.
Romeinen 10 (naar ISA)
19 (…) Eerst zegt Mozes: Ik zal jullie jaloers maken op wat geen volk is, door een onverstandig volk zal ik jullie toornig maken.
De jaloezie waarover Paulus spreekt, is niet positief. Het gaat er niet om dat de natiën nu iets hebben, wat het Joodse volk ook graag wil hebben. Het is afgunst, zij zijn boos en geërgerd door het idee dat een onverstandig volk, dat de wet niet heeft (Rom. 2:14) nu hun uitverkoren positie heeft ingenomen. In het parallelle gedeelte in Lukas lezen we dan ook de reactie van Zijn toehoorders: “Moge het niet gebeuren!” (Luk. 20:16), of zoals de NBG het weergeeft: “Dat nooit!” Dat was voor hen ondenkbaar.
Mattheüs 21 (naar ISA)
42 Jezus zei tegen hen: Lazen jullie nooit in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verwierpen, deze was tot hoeksteen (letterlijk: hoofd van hoek, zie Statenvertaling) geworden; bij de Heer gebeurde dit, en het is wonderbaarlijk in onze ogen?
43 Vanwege dit zeg Ik tegen jullie, dat het Koninkrijk van God van jullie weggenomen zal worden, en het zal gegeven worden aan een natie, die de vruchten daarvan opbrengt.
een andere natie
De wijngaard zou dus aan andere landbouwers worden gegeven en het Koninkrijk aan een andere natie. Jezus zegt nadrukkelijk dat deze natie de vruchten zou voortbrengen die Israël niet had voortgebracht.
Paulus noemt dit “geen volk”. De ecclesia is immers geen natie zoals Israël dat is, met een gemeenschappelijke afstamming, een land en landsgrenzen. Toch wordt zij wel een volk genoemd. God neemt namelijk “uit de natiën een volk voor Zijn Naam” (Hand. 15:14). Dit is de natie waarvan Jezus zegt dat het Koninkrijk eraan gegeven zou worden en die de vruchten daarvan zou voortbrengen.
Israël hersteld
Handelingen 15 gaat vervolgens verder. Nadat God uit de natiën een volk voor Zijn Naam heeft aangenomen, zal Hij “de vervallen hut van David” weer oprichten (:16). Dat Israël terzijde werd gesteld en het Koninkrijk van hen werd weggenomen, betekent dus niet dat God voorgoed met Israël heeft afgerekend. In deze verborgen periode is het Koninkrijk gegeven aan een volk uit de natiën, maar de Schrift voorzegt ook het toekomstige herstel van Israël. Er komt een tijd dat God Zich opnieuw over Zijn volk zal ontfermen en de vervallen hut van David zal oprichten.