In de vorige blog zagen we dat de man zonder bruiloftskleed uit de bruiloftszaal wordt verwijderd. We vergeleken dit met andere gelijkenissen waarin wordt gesproken over de aanvang van het Koninkrijk.
Bij de voleinding van de aeon vindt er een scheiding plaats. Niet de gelovigen worden van de aarde weggenomen, maar de ongelovigen worden verwijderd. Over de plaats waar de man vervolgens terechtkomt, zegt Jezus:
Mattheüs 22 (naar ISA)
13 Toen zei de koning tegen de dienaren: Bind hem aan handen en voeten en werp hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het huilen zijn en het knarsen van de tanden.
de buitenste duisternis
De uitdrukking “de buitenste duisternis” wordt vaak uitgelegd als een aanduiding van de hel. Maar dat is niet wat het beeld in de gelijkenis zegt. De man bevindt zich in een verlichte bruiloftszaal en wordt vervolgens naar buiten geworpen. Buiten de feestzaal is het donker. Vandaar: “de buitenste duisternis”.
Het gaat dus om een tegenstelling. Binnen vindt het bruiloftsfeest plaats en deelt men in de vreugde en heerlijkheid van het Koninkrijk. Wie naar buiten wordt geworpen, heeft daar geen deel aan. Dezelfde uitdrukking vinden we eerder in Mattheüs:
Mattheüs 8 (naar ISA)
11 Maar Ik zeg tot jullie dat velen van oost en west zullen arriveren en aan tafel zullen liggen met Abraham en Izak en Jakob in het Koninkrijk van de hemelen.
12 Maar de zonen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis. Daar zal het huilen zijn en het knarsen van de tanden.
De overeenkomst met onze gelijkenis is opvallend. Ook hier wordt gesproken over aan tafel liggen in het Koninkrijk en over anderen die naar buiten worden geworpen. De “buitenste duisternis” staat tegenover het aanliggen met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk. Het gaat niet over eindeloze pijniging in een hel, maar over buitengesloten worden van het Koninkrijk.
het knarsen van de tanden
Maar wat betekent dan “het huilen en het knarsen van de tanden”? Vaak wordt hierin een beschrijving van hevige pijn gelezen. De Schrift gebruikt het knarsen van tanden echter op een andere manier.
Een duidelijk voorbeeld vinden we bij Stefanus. Wanneer hij de leiders van Israël confronteert met hun ongeloof, lezen we:
Handelingen 7 (naar ISA)
54 Toen zij deze dingen hoorden, sneed het door hun hart,
en zij knarsten de tanden tegen hem.
Zij knarsten hun tanden niet omdat zij pijn leden, maar omdat zij woedend waren op Stefanus. Direct daarna stenigen zij hem. Tandengeknars is hier een uiting van woede en vijandschap. Hetzelfde beeld vinden we in Job:
Job 16 (naar ISA)
9 Zijn toorn verscheurt mij en Hij koestert vijandschap tegen mij,
Hij knarst tegen mij met Zijn tanden.
En ook in Klaagliederen wordt over de vijanden van Jeruzalem gezegd:
Klaagliederen 2 (naar ISA)
16 Al jouw vijanden sperren hun mond tegen jou open,
zij sissen en knarsen met hun tanden.
Ook daar gaat het niet over pijn, maar over vijandschap en woede. Dat helpt ons om de woorden van Jezus te verstaan. Degenen die buiten het Koninkrijk worden geplaatst, zien wat zij mislopen. Het huilen spreekt van verdriet en het tandengeknars van de woede en frustratie die daarmee gepaard gaan.
de goddeloze ziet het
Een bijzonder overeenkomst vinden we in Psalm 112. Deze Psalm beschrijft de zegen en heerlijkheid van de rechtvaardige en eindigt vervolgens met de reactie van de goddeloze:
Psalm 112 (naar ISA)
10 De goddeloze zal het zien en toornig worden,
hij zal met zijn tanden knarsen en wegsmelten;
het verlangen van de goddelozen zal vergaan.
De goddeloze ziet de zegen van de rechtvaardige en wordt toornig. Vervolgens knarst hij met zijn tanden. Dat komt dicht in de buurt van het beeld dat Jezus gebruikt. De één deelt in de zegen en heerlijkheid van het Koninkrijk, terwijl de ander daarbuiten staat.
Het tandengeknars is dan ook geen beschrijving van de pijn van een eeuwige marteling. Het is de reactie van degenen die buiten het Koninkrijk worden geplaatst en de heerlijkheid daarvan aan zich voorbij zien gaan.
velen geroepen
Daarmee komen we bij de laatste woorden van de gelijkenis:
Mattheüs 22 (naar ISA)
14 Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen.
Dit vers wordt vaak los van de gelijkenis geciteerd. Dan wordt het bijvoorbeeld zo uitgelegd dat God wel velen roept, maar uiteindelijk slechts weinigen uitkiest of redt. Maar het woord waarmee vers 14 begint, laat al zien dat we deze uitspraak niet los mogen lezen: want.
Vers 14 geeft de conclusie van wat Jezus zojuist heeft verteld. Om die conclusie te begrijpen, moeten we daarom terug naar het begin. Daar stuurde de koning zijn slaven:
“…om de geroepenen tot de bruiloftsfeesten te roepen” (:3).
De geroepenen waren degenen die al tot de bruiloft waren genodigd: Israël. Maar zij wilden niet komen. Later zegt de koning daarom:
“De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard” (:8).
Vervolgens worden de slaven naar de kruispunten van de wegen gestuurd. Zij moeten niet langer uitsluitend de oorspronkelijk genodigden roepen, maar:
“…zoveel als jullie maar vinden” (:9).
De roep krijgt een veel groter bereik.
de zaal was vol
En wat is daarvan het resultaat?
“En de bruiloftszaal werd gevuld met hen die aan tafel aanlagen” (:10).
Dat gegeven is belangrijk voor de uitleg van vers 14. Als “weinigen uitverkorenen” zou betekenen dat van de velen die geroepen worden uiteindelijk maar een klein aantal daadwerkelijk aan de bruiloft deelneemt, zou dat moeilijk te rijmen zijn met wat Jezus zojuist heeft gezegd. De zaal was niet vrijwel leeg. De zaal werd juist gevuld.
Er waren dus velen geroepen en velen hadden aan de oproep gehoor gegeven. Het feest ging door en de zaal was vol. Wie zijn dan de “weinigen uitverkorenen”?
de uitverkorenen
Ook het begrip uitverkoren moeten we vanuit de context verstaan. Israël was Gods uitverkoren volk. Mozes zegt:
Deuteronomium 7 (naar ISA)
6 Want een heilig volk ben jij voor JAHWEH, jouw God. JAHWEH, jouw God, heeft jou uitgekozen om voor Hem tot een volk als speciaal bezit te zijn, uit alle volken die op de oppervlakte van de aardbodem zijn.
Israël was uit alle volken uitgekozen en ontving daarmee een bijzondere positie. Aan hen waren de verbonden en de beloften gegeven. Zij waren de oorspronkelijke geroepenen tot de bruiloft. Maar juist zij wilden niet komen.
Wanneer de bruiloft uiteindelijk plaatsvindt, is de zaal daarom gevuld met velen die later werden geroepen. Onder die velen bevinden zich slechts weinigen uit het volk dat oorspronkelijk was uitverkoren. Zo moeten de woorden waarmee Jezus de gelijkenis afsluit worden verstaan:
“Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen.”
een omkering
Daarmee sluit deze gelijkenis aan op de gelijkenissen die eraan voorafgingen. Steeds zagen we dezelfde opmerkelijke omkering.
Bij de arbeiders in de wijngaard werden laatsten eersten. Bij de twee zonen gingen tollenaars en hoeren de godsdienstige leiders voor in het Koninkrijk van God. Bij de boze wijngaardeniers werd het Koninkrijk van de oorspronkelijke beheerders weggenomen en aan een andere natie gegeven. En in deze gelijkenis willen de oorspronkelijke geroepenen niet komen, waarna de oproep naar de wegen uitgaat en de bruiloftszaal alsnog wordt gevuld.
Israël was geroepen en uitverkoren. Maar uit het volk dat die bevoorrechte positie had ontvangen, waren er maar weinigen die geloofden in de Messias toen Hij kwam. Anderen, die oorspronkelijk niet tot de genodigden behoorden, zullen de zaal vullen.
Gods voornemen wordt door het ongeloof van de oorspronkelijke geroepenen niet verhinderd. De bruiloft gaat door en de zaal wordt gevuld.