3. de twee en tien stammen van Israël: Joden of Israëlieten?

In de vorige blog zagen we dat in 1 Koningen 11 de splitsing van het koninkrijk van Israël wordt aangezegd. In 1 Koningen 12 wordt deze verdeling beschreven. Vanaf dat moment is er niet meer één koninkrijk van twaalf stammen, maar wordt er onderscheid gemaakt tussen Juda (tweestammenrijk) en Israël (tienstammenrijk).

Sommigen concluderen hieruit dat in de dagen van het Nieuwe Testament en in onze dagen, het nog steeds zo is dat een Jood iemand is uit de twee stammen (Juda en Benjamin) en dat de term Israël gereserveerd zou zijn voor de tien stammen. Dat was immers de situatie in de tijd dat de splitsing tot stand kwam. Maar is dat terecht?

ballingschap
In 2 Koningen 17 lezen we hoe Israël, het tienstammenrijk, vanwege afgoderij wordt veroverd en uit het land wordt weggevoerd in ballingschap naar Assyrië.

In 2 Koningen 24 en 25 en 2 Kronieken 36 wordt beschreven hoe Juda, het tweestammenrijk, wordt veroverd en wordt weggevoerd in ballingschap naar Babel.

Tussen de deportatie van de tien stammen en die van de twee stammen verstreek bijna 150 jaar. Over de ballingschap van Juda wordt voorzegd en vermeld dat deze 70 jaren zou duren (Jer. 25:11; 29:10; 2 Kron. 36:21; Dan. 9:2).

terugkeer
Aan het slot van 2 Kronieken 36 lezen we dat koning Kores van Perzië een oproep doet aan het volk om terug te keren naar het land Juda en de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Kores had deze opdracht gekregen van JAHWEH, de God van de hemelen (2 Kron. 36:23).

Hoe hij deze opdracht had gekregen, vermeldt 2 Kronieken niet. Maar we vinden wel de voorzegging ervan bij de profeet Jesaja (Jes. 44:28). Jesaja leefde meer dan 150 jaar vóór Kores en heeft ver van tevoren geprofeteerd dat ene Kores de stad Jeruzalem en de tempel zou herbouwen.

Wie heeft Kores op deze profetie van Jesaja gewezen? Van de profeet Daniël lezen we dat hij zich bevond aan het hof van Kores ten tijde van de ballingschap. Zou Daniël Kores hebben laten zien dat zijn naam al meer dan 150 jaar tevoren was genoemd door de profeet Jesaja? De Schrift vermeldt het niet, maar het is wel zeer aannemelijk.

heel het volk
Aan Kores waren alle koninkrijken van de aarde gegeven en de oproep om terug te keren naar het land gaat heel zijn koninkrijk door en wordt gedaan aan geheel het volk (2 Kron.36:22-23, Ezra 1:1-4). Ook de tien stammen in Assyrië waren bij deze oproep ingesloten (Ezra 6:22).

Ezra en Nehemia
In de boeken van Ezra en Nehemia wordt uitgebreid gesproken over de terugkeer van het volk naar het land Juda. Bijzonder nauwkeurig wordt het aantal teruggekeerde ballingen vermeld: 49.942 mensen (Ezra 2:64; Neh.7:66-67).

Voor het volk worden verschillende benamingen gebruikt:

– geheel Israël (Ezra 2:70, 10;5; Neh.7:73)
– zonen van Israël (Ezra 3:1; Neh.1:6).

Maar zij worden ook genoemd:

– volk van Juda (Ezra 4:4)
 – zonen van Juda (Neh.13:16)
– Joden (Ezra 5:1; Neh.2:16, 4:1,2,12; 5:1,8,17; 6:6).

Bij de inwijding van de herbouwde tempel worden bovendien offers gebracht voor alle twaalf stammen:

Ezra 6 HSV
17 (…) en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël.

alle twaalf stammen
De teruggekeerde ballingen zijn leden uit alle twaalf stammen van Israël die zich na de ballingschap hebben gevestigd in het gebied van Juda. Binnen deze herstelde gemeenschap worden zij in de Schrift aangeduid met termen als “Joden” (= van Juda) en “Israël”. Hieruit kunnen we concluderen dat vanaf dit moment deze begrippen als synoniemen gelden.

Opvallend is dat dit herstel niet gepaard gaat met een herverdeling van het land volgens de oorspronkelijke stamgrenzen. De identiteit van de stammen blijft in beginsel bestaan, maar hun woongebied wordt geconcentreerd in het gebied van Juda. In die zin zijn ook de tien stammen inbegrepen, zonder dat zij terugkeren naar hun vroegere leefomgeving. Het teruggekeerde volk is geen voortzetting van de twee stammen, maar van heel Israël.

Jood en Israëliet in het nieuwe testament
Wanneer we in het Nieuwe Testament aankomen, worden we bevestigd in de gedachte dat voor het aanspreken van heel Israël zowel het begrip Joden als Israëlieten wordt gebruikt.

Het is bijvoorbeeld de apostel Petrus die in zijn toespraak op de Pinksterdag zijn toehoorders aanspreekt met: “Joodse mannen” (Hand. 2:14), maar even later met: “Israëlitische mannen” (Hand. 2:22). Hij sluit zijn toespraak af met de woorden:

Handelingen 2 ISA
36 Laat dan het gehele huis van Israël zeker weten, dat God Hem en Heer en Christus heeft gemaakt, deze Jezus, die jullie kruisigden”.

Voor Petrus zijn dit geen verschillende groepen, maar verschillende aanduidingen voor hetzelfde volk.

Ook bij Paulus zien we dat hij deze termen door elkaar gebruikt. In hetzelfde gedeelte spreekt hij van Joden (Rom. 9:24), maar ook van Israël (Rom. 9:6,27,31).

Paulus noemt zichzelf bovendien:

Romeinen 11 ISA
1 (…) Want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.

Voor Paulus bestaat er geen tegenstelling tussen Israëliet, Jood en lid van een specifieke stam.

de twaalf stammen
Opvallend is dat ook in de dagen van het Nieuwe Testament nog steeds gesproken wordt over de twaalf stammen als een eenheid.

Wanneer Paulus zich voor koning Agrippa verdedigt, zegt hij:

Handelingen 26 NBG
7 welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken (…)

Paulus spreekt hier over de twaalf stammen als één geheel, een religieuze eenheid die God dient en Zijn beloften verwacht.

Ook Jakobus schrijft:

Jakobus 1 ISA
1 Jakobus, een slaaf van God, en van de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: Verheug je!

Daarnaast lezen we van Anna:

Lukas 2 ISA
36 En daar was Anna, een profetes (…) uit de stam Aser.

Daarmee vinden we in het Nieuwe Testament niet alleen leden uit Juda en Benjamin terug, maar ook uit een stam van het voormalige tienstammenrijk. Toch was haar afkomst in de dagen van de Heer Jezus nog bekend.

Dit alles is moeilijk te rijmen met de gedachte dat de tien stammen als afzonderlijk volk verdwenen zouden zijn en ergens anders op aarde voortbestaan. De apostelen spreken nog steeds over twaalf stammen als één geheel.

geassimileerd
Het tienstammenrijk is als geheel nooit teruggekeerd naar het land. Slechts een klein deel keerde terug, terwijl het overgrote deel opging in de natiën. Daardoor bevinden zij zich niet langer “dichtbij”, maar “veraf” zoals Paulus de natiën aanduidt (Ef. 2:12-13).

geen verloren twee stammen?
Van alle twaalf stammen keerden nog geen 50.000 mensen terug naar het land. Het merendeel hiervan was afkomstig uit de twee stammen, maar ook van hen keerde slechts een fractie terug naar het land.

Het grootste deel bleef in het buitenland wonen en een gedeelte hiervan behield de Joodse identiteit. Maar ook van hen is een deel opgegaan in hun omgeving en heeft zich vermengd met andere volkeren.

Toch spreekt men nooit over dit deel als “de verloren twee stammen”.

één volk, twee namen
Vanaf de terugkeer uit de ballingschap spreekt de Schrift weer over één Israël. Dat volk wordt zowel “Israël” als “Joden” genoemd. De naam “Jood” is vanaf dat moment niet langer een aanduiding van alleen de stam Juda, maar van het gehele volk Israël.

conclusie
Slechts een klein gedeelte van het volk keerde in de dagen van Ezra en Nehemia terug naar het land. Toch wordt deze terugkeer in de Schrift beschouwd als een herstel van heel Israël.

Het waren Israëlieten uit alle twaalf stammen die gingen wonen in het gebied van Juda. En daarom werden ze Joden genoemd – verbonden aan het gebied van Juda en de stad Jeruzalem. Vanaf de terugkeer uit de ballingschap gebruikt de Schrift de aanduidingen “Joden” en “Israël” voor hetzelfde volk. De apostelen gebruiken beide aanduidingen door elkaar.

Ook in het Nieuwe Testament wordt nog steeds gesproken over de twaalf stammen als één geheel. De Schrift kent daarom geen afzonderlijk voortbestaan van tien stammen naast Juda, maar spreekt consequent over één Israël, bestaande uit twaalf stammen. Vanaf de terugkeer uit de ballingschap worden zij zowel Israëlieten als Joden genoemd.

Ook in het Nieuwe Testament wordt nog steeds gesproken over de twaalf stammen als één geheel. De Schrift kent daarom geen afzonderlijk voortbestaan van tien stammen naast Juda, maar spreekt consequent over één Israël, bestaande uit twaalf stammen. Vanaf de terugkeer uit de ballingschap worden zij zowel Israëlieten als Joden genoemd.