4. de gelijkenis van de twee zonen

De gelijkenis van de twee zonen is kort en de betekenis ervan hoeven we niet te raden. De Heer Jezus geeft Zelf de toepassing. Hij spreekt deze gelijkenis tot de overpriesters en oudsten van het volk (:23).

Zij hadden Hem gevraagd met welke autoriteit Hij deze dingen deed. Jezus antwoordt met een wedervraag over Johannes de Doper: was zijn doop uit de hemel of uit mensen? Zij weigeren daarop antwoord te geven, omdat ieder antwoord hen in de problemen zou brengen: als zij zeggen dat Johannes’ doop uit de hemel was, zal Jezus vragen waarom zij hem dan niet geloofden; en als zij zeggen dat deze uit mensen was, vrezen zij het volk, dat Johannes voor een profeet hield (:24-27).

de opdracht van de vader
Direct daarna vertelt Jezus de gelijkenis van de twee zonen. Het gaat over twee zonen die allebei door hun vader worden geroepen om in zijn wijngaard te werken. De één zegt dat hij niet wil, maar gaat uiteindelijk toch. De ander zegt dat hij zal gaan, maar doet het niet. Jezus laat Zijn tegenstanders vervolgens zelf de conclusie trekken.

Mattheüs 21 ISA
28 Maar wat dunkt jullie? Een mens had twee kinderen. En hij kwam tot de eerste en zei: Kind, ga heen, werk vandaag in de wijngaard.

Jezus begint met de vraag: “Wat dunkt jullie?” Daarmee betrekt Hij Zijn hoorders bij de gelijkenis. Straks zullen zij zelf antwoord moeten geven en daarmee in feite ook zichzelf beoordelen.

twee zonen
Er is een vader met twee kinderen. Het Griekse tekna betekent letterlijk kinderen, hoewel uit het vervolg duidelijk wordt dat het om twee zonen gaat. De vader stuurt hen naar zijn wijngaard. In de Schrift is de wijngaard een bekend beeld van Israël (Jes. 5:1-7).

De opdracht is eenvoudig: “Ga vandaag werken in de wijngaard.” De vader heeft gezag en de zoon wordt geroepen om te doen wat zijn vader hem opdraagt.

29 Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet. Maar later kreeg hij berouw en ging.

eerst ongehoorzaam, daarna toch gehoorzaam
De eerste zoon is duidelijk: “Ik wil niet.” Hij weigert openlijk om te doen wat zijn vader van hem vraagt. Maar daar blijft het niet bij. Later krijgt hij berouw. Het Griekse woord metamelomai heeft de betekenis van ergens achteraf spijt van krijgen of van gedachten veranderen. Dat er werkelijk iets bij hem verandert, blijkt uit wat hij vervolgens doet: hij gaat alsnog naar de wijngaard.

Zijn eerste antwoord was verkeerd, maar uiteindelijk doet hij wel de wil van zijn vader.

30 En hij kwam tot de tweede en zei hetzelfde. En hij antwoordde en zei: Ik, heer! En hij ging niet.

wel zeggen, maar niet doen
De vader geeft de tweede zoon precies dezelfde opdracht. Zijn antwoord staat lijnrecht tegenover dat van zijn broer. Letterlijk antwoordt hij: “Ik, heer!” De gedachte is: ik ga, heer. Zijn woorden klinken goed. Hij spreekt zijn vader zelfs aan als heer. Maar vervolgens doet hij niet wat hij zegt. De eerste zoon zei nee en ging wel; de tweede zei ja en ging niet. Het contrast is duidelijk. Het gaat uiteindelijk niet om wat iemand zegt, maar om wat hij doet met het woord dat tot hem komt.

31 Wie van de twee deed de wil van de vader? Zij zeggen: De eerste. Jezus zei tot hen: Amen, Ik zeg jullie dat de tollenaars en de hoeren jullie voorgaan in het Koninkrijk van God.

wie deed de wil van de vader?
Nu laat Jezus de overpriesters en oudsten zelf antwoord geven. Wie van de twee deed de wil van zijn vader? Het antwoord ligt voor de hand: de eerste. Daarmee spreken zij zonder het te beseffen een oordeel over zichzelf uit.

Jezus past de gelijkenis vervolgens rechtstreeks toe. De tollenaars en hoeren zijn als de eerste zoon. Hun levenswandel getuigde aanvankelijk niet van gehoorzaamheid aan God. Maar toen Johannes kwam, geloofden zij zijn boodschap.

De godsdienstige leiders lijken daarentegen op de tweede zoon. Met hun woorden beleden zij God te dienen en Zijn wil te doen. Maar toen God Johannes zond, geloofden zij hem niet.

Johannes geloofd en verworpen
Jezus zegt dat tollenaars en hoeren hen voorgaan in het Koninkrijk van God. Het gebruikte Griekse woord proagō betekent vooropgaan of voorgaan. Degenen op wie de godsdienstige leiders neerkeken, gaan hun voor.

32 Want Johannes kwam tot jullie in een weg van rechtvaardigheid, en jullie geloofden hem niet. Maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem. En hoewel jullie dit zagen, kregen jullie ook later geen berouw om hem te geloven.

Hier legt Jezus Zelf uit waar de gelijkenis over gaat. Johannes de Doper was door God gezonden. Daarmee grijpt Jezus terug op de vraag die Hij vlak daarvoor aan de overpriesters en oudsten had gesteld: “Vanwaar was de doop van Johannes? Uit de hemel of uit mensen?” (:25).

De tollenaars en hoeren geloofden Johannes. Zij zijn daarom als de eerste zoon: eerst was er ongehoorzaamheid, maar toen Gods woord tot hen kwam, veranderden zij van gedachten.

geen berouw
De leiders hadden zelfs gezien wat de prediking van Johannes bij anderen teweegbracht. Toch veranderden zij niet van gedachten. Opnieuw gebruikt Jezus hier hetzelfde woord metamelomai als in vers 29. De eerste zoon kreeg later berouw en ging alsnog, maar de overpriesters en oudsten kregen zelfs nadat zij alles hadden gezien geen berouw om Johannes te geloven.

Daarmee wordt de betekenis van de gelijkenis scherp. De tegenstelling is niet eenvoudig tussen goede en slechte mensen. De tegenstelling is tussen hen die aanvankelijk ongehoorzaam zijn, maar uiteindelijk Gods woord geloven, en hen die zeggen God te dienen, maar Zijn woord niet geloven wanneer het tot hen komt.

een diepere laag?
Naast de directe betekenis van deze gelijkenis is er nog een diepere laag in te herkennen. De tweede zoon zegt tegen zijn vader dat hij zal gaan, maar doet het vervolgens niet. Dat doet denken aan Israël bij de Sinaï. Wanneer JAHWEH Zijn woorden tot het volk spreekt, antwoordt Israël: “Alles wat JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen” (Ex. 19:8). Israël zei dus ja tegen God, maar de geschiedenis laat vervolgens zien dat het volk ongehoorzaam was.

Bij de eerste zoon zien we het omgekeerde. Hij zegt eerst: “Ik wil niet”, maar verandert later van gedachten en gaat alsnog. Daarin is een overeenkomst te zien met de natiën. Paulus zegt dat zij “eens ongehoorzaam waren aan God”, maar nu ontferming hebben verkregen door de ongehoorzaamheid van Israël (Rom. 11:30). Zij waren zonder God in de wereld en vervreemd van het burgerschap van Israël (Ef. 2:12), maar zijn nu door God geroepen.

Toch is dit niet de bovenliggende betekenis van de gelijkenis. Jezus geeft Zelf de directe betekenis van de gelijkenis. De eerste zoon staat voor tollenaars en hoeren die Johannes geloofden, terwijl de tweede zoon de godsdienstige leiders voorstelt die hem niet geloofden (:31-32). Beide groepen behoren tot Israël.

Maar in deze twee zonen is wel een patroon te herkennen dat later op grotere schaal zichtbaar wordt in Israël en de natiën. Israël zei dat het God zou gehoorzamen, maar werd ongehoorzaam. De natiën waren ongehoorzaam, maar ontvangen nu ontferming. En ook daar houdt het niet op. Paulus maakt duidelijk dat Israëls huidige ongehoorzaamheid niet het laatste woord heeft. God zal Zich ook over hen ontfermen (Rom. 11:31), want “God sluit allen tezamen op in ongehoorzaamheid, opdat Hij Zich over allen ontfermt” (Rom. 11:32). Maar het herstel van Israël is niet het onderwerp van deze gelijkenis.