2. de 144.000: wie zijn zij?

In de vorige blog hebben we met name gekeken naar het moment waarop de 144.000 geïntroduceerd worden. Dat is ná de grote verdrukking. Maar wie zijn zij? Over hun identiteit hoeven we niet te gissen. Zij worden genomen uit de twaalf stammen van Israël: twaalf maal twaalfduizend verzegelden. Het getal twaalf, dat in de Schrift bij uitstek met Israël verbonden is, valt daarbij direct op.

Openbaring 7 ISA
4 En ik hoor het getal van hen, die verzegeld zijn: honderdvierenveertigduizend, die verzegeld zijn, uit elke stam van de zonen van Israël.
5 Uit de stam Juda twaalfduizend, die verzegeld zijn; uit de stam Ruben twaalfduizend; uit de stam Gad twaalfduizend;
6 uit de stam Aser twaalfduizend; uit de stam Naftali twaalfduizend; uit de stam Manasse twaalfduizend;
7 uit de stam Simeon twaalfduizend; uit de stam Levi twaalfduizend; uit de stam Issafschar twaalfduizend;
8 uit de stam Zebulon twaalfduizend; uit de stam Jozef twaaldfuizend; uit de stam Benjamin twaalfduizend, die verzegeld zijn.

een gelovig Israël
In de grote verdrukking zal twee derde van het volk in het land omkomen (Zach. 13:8). Het derde deel dat overblijft, zal de naam van JAHWEH aanroepen (Zach. 13:9). Ook de profeet Joël spreekt hierover. Joël noemt dezelfde tekenen aan de hemel als Opb.6:12 en Matth.24:29.

Joël 2 ISA
31 De zon zal veranderd worden tot duisternis, en de maan tot bloed, voordat de grote en gevreesde dag van JAHWEH komt.
32 En het zal zijn, dat ieder die de naam van JAHWEH aanroept, zal ontsnappen, want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals JAHWEH zegt, en onder de overlevenden, die JAHWEH roept.

de naam van JAHWEH aanroepen
Eerst lezen we over de tekenen aan de hemel die we ook zagen bij het zesde zegel in Opb. 6:12 en waarvan de Heer zei dat het zal zijn onmiddellijk na de verdrukking van die dagen (Matth. 24:29). Vervolgens lezen we dat het overblijfsel de naam van JAHWEH zal aanroepen en zal ontkomen.

Zijn wederkomst voor Israël
Hoe dit gebeurt, en waaraan zij zullen ontsnappen, lezen we in Zacharia 14. Hier wordt het tijdstip beschreven dat alle natiën zich ten strijde verzameld hebben tegen Jeruzalem en de stad veroverd en geplunderd zal worden (Zach. 14:1). Maar God Zelf zal Zich tegen de natiën keren (Zach.14:3). Dit is het moment waarop het overblijfsel, zoals we hiervoor zagen, in uiterste nood de naam van JAHWEH aanroept. Dan zal Christus verschijnen, Degene die het beeld is van de onzienlijke God.

Zacharia 14 ISA
4 En zijn voeten zullen in die dag staan op de Olijfberg, die op het gezicht van Jeruzalem ligt, aan de oostzijde. En de Olijfberg zal middendoor worden gespleten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal. En de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken, en de andere helft zuidwaarts.
5 En jullie zullen vluchten in het dal van mijn bergen. (…) En jullie zullen vluchten, zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia (…)

de Olijfberg gespleten
Bij deze gebeurtenis zal de Olijfberg splijten, zodat het overblijfsel dat de naam van JAHWEH aanroept, kan ontkomen. Een gebeurtenis die doet denken aan een enorme aardbeving. Ook in vers 5 wordt aan een aardbeving gerefereerd. Merk op dat eveneens in Opb.6:12, bij het zesde zegel, een grote aardbeving wordt genoemd.

een gelovig Israël
Het uiteindelijke overblijfsel van het volk, een derde deel (Zach. 13:8), zal een gelovig Israël zijn. God zal zeggen: het is Mijn volk en het volk zal zeggen: JAHWEH is mijn God (Zach. 13:9). Israël was immers voor een tijd Lo-Ammi (=niet Mijn volk) en God zou weer tot haar zeggen: Ammi (=Mijn volk), zoals voorzegd door de profeet Hosea (2:22).

waarom verzegeld?
Uit een gelovig Israël worden de 144.000 geselecteerd, uit elke stam twaalfduizend (Opb. 7:5-8). Maar waarom worden zij verzegeld? Dit lezen we in de eerste verzen van Openbaring 7, waar de 144.000 geïntroduceerd worden.

Openbaring 7 ISA
En daarna zag ik vier boodschappers, die op de vier hoeken van de aarde staan, die de vier winden van de aarde vasthouden, opdat er geen wind zal waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom.
En ik zag een andere boodschapper, die opkomt van de opgang van de zon, die het zegel van de levende God heeft; en hij roept met een luide stem tot de vier boodschappers, aan wie het werd gegeven het land en de zee te beschadigen,
en hij zegt: Breng geen schade toe aan het land en aan de zee, en ook niet aan de bomen, totdat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofd zullen verzegelen.
En ik hoor het getal van hen, die verzegeld zijn: honderdvierenveertigduizend, die verzegeld zijn (…)

bescherming
Er staan vier boodschappers (Grieks: aggelos) die de vier winden van de aarde vasthouden, opdat er geen wind zal waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom (:1). En vervolgens dat er geen schade toegebracht zal worden aan het land en aan de zee en aan de bomen, totdat de 144.000 verzegeld zijn (:3-4). De verzegeling geeft de 144.000 bescherming tegen de oordelen die nog over de aarde zullen komen. Dat wordt later expliciet bevestigd. Bij de vijfde bazuin wordt opdracht gegeven alleen de mensen te beschadigen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben (Opb. 9:4).

de grote dag van hun toorn
Na het zesde zegel (7:1) is de grote verdrukking voor Israël voorbij en worden de 144.000 verzegeld. Openbaring 7 vormt daarmee een intermezzo tussen het zesde en zevende zegel. Wanneer vervolgens het zevende zegel wordt geopend, ontstaat er een stilte van ongeveer een half uur (8:1). Daarop volgen de zeven bazuinen en barsten de oordelen los die in het vervolg van Openbaring worden beschreven. Na het zesde zegel werd immers gezegd: ...want de grote dag van hun toorn is gekomen (Opb. 6:17).

Maar wat is de taak van de 144.000? Daarover meer in een volgende blog.