4. de 144.000: de grote schare

Tenslotte wil ik over dit boeiende onderwerp nog een aantal zaken bespreken die niet zozeer met de identiteit van de 144.000 te maken hebben, maar wel nauw met hen samenhangen of waarvan men wel eens denkt dat het over hen gaat.

de grote schare
In de eerste plaats de verhouding van het gezelschap van de 144.000 tot die andere groep die in Openbaring 7 wordt genoemd: de grote schare of menigte. Wie zijn zij?

Openbaring 7 ISA
9 Na dezen zag ik en zie: een grote schare, die niemand tellen kon, uit elke natie, en stammen, en volken, en talen, staat voor de troon, en voor het Lam, omhuld met witte gewaden, en met palmtakken in hun handen.

heel het volk
Eerst werden de 144.000 verzegeld en daarna (> na dezen) wordt gesproken van een grote schare. Deze menigte wordt niet geteld, zoals de 144.000, en wordt verzameld uit elke natie, en stammen, en volken, en talen, zoals voorzegd in de profeten (Deut. 30:3-5; Ez. 36:24-25; 37:21).

Van een aantal wordt niet gesproken, maar het gaat om een menigte die niemand tellen kan. In Micha 2:12 staat over de verzameling van Israël dan ook: “het zal er gonzen van de mensen”. Bij de verzameling van de 144.000 betreft het een selectie uit het volk Israël, hier betreft het de verzameling van heel het volk. Zij worden verzameld naar het land.

gelovig Israël
Verderop wordt uitgelegd dat zij degenen zijn die uit de grote verdrukking komen (Opb. 7:14). Zij zijn het overblijfsel dat de grote verdrukking heeft overleefd en de naam van JAHWEH heeft aangeroepen. Daartoe behoort het deel van Israël dat tijdens de grote verdrukking in veiligheid is gebracht. Zacharia beschrijft hoe zij door het dal van de gespleten Olijfberg zullen vluchten (Zach. 14:4-5). Ezechiël spreekt over “de woestijn van de volken” (Ez. 20:35) en Openbaring over de vrouw die naar de woestijn vlucht en daar wordt onderhouden (Opb. 12:6,14). Daarnaast betreft het de Israëlieten die vanuit de natiën verzameld zijn naar het land.

In het land is het nu veilig. De Koning is aangekomen en heeft Zijn plaats op de troon in Jeruzalem ingenomen. Van daaruit zal Hij Zijn Koninkrijk over de natiën vestigen. Israël is inmiddels een gelovig volk en Hij slaat Zijn tent over hen uit. Hij woont te midden van Zijn volk en beschermt hen.

Openbaring 7 ISA
15 Daarom zijn zij voor de troon van God, en zij dienen Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij, die op de troon zit, zal zijn tent over hen uitspreiden.

In Openbaring 14, waar het nog een keer over de 144.000 gaat, staat:

Openbaring 14 ISA
3 (…) en niemand kon het lied leren dan alleen de honderdvierenveertigduizend, die gekocht zijn van de aarde.
4 Dezen zijn het, die niet met vrouwen werden bezoedeld, want zij zijn maagden. Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen worden uit de mensen gekocht, eerstelingen voor God en voor het Lam.

eerstelingen
De 144.000 zijn eerstelingen, de eerste vruchten van de oogst uit Israël. De aanduiding eerstelingen veronderstelt dat er daarna nog een oogst volgt. De 144.000 vormen dus niet het geheel, maar het eerste deel van wat daarna verzameld wordt. Zij zijn een selectie met de speciale opdracht om de Israëlieten uit de volkeren bijeen te vergaderen. Zo verzamelt God, in overeenstemming met de profetieën, Zijn volk uit de natiën en brengt Hij hen terug naar het land (Deut. 30:3; Ez. 37:21). Daarnaast verkondigen zij het evangelie van het Koninkrijk tot een getuigenis voor alle natiën (Matth. 24:14).

De grote schare is dan de verzameling van Israëlieten uit de natiën, die door de bediening van de 144.000 worden bijeengebracht. Ezechiël ziet in zijn visioen een “zeer, zeer groot leger” (Ez. 37:10), waarvan vervolgens uitdrukkelijk wordt gezegd: “deze beenderen zijn heel het huis van Israël” (:11). Daarna belooft God hen uit hun graven te doen opkomen en hen naar het land van Israël te brengen (:12).

Dat is de grote schare die Johannes ziet: niet langer een selectie van 144.000, maar heel het huis van Israël, verzameld uit de natiën en teruggebracht naar het land.