We zagen dat de eigenaar van de wijngaard een beeld is van de Heer. Hij roept arbeiders om te werken in Zijn wijngaard, een uitbeelding van het Koninkrijk van de hemelen. Met de eerste groep spreekt Hij af dat ze een denarius ontvangen, die aeonisch (eeuw-ig) leven representeert.
Mattheüs 20 ISA
3 En omstreeks het derde uur gaat hij naar buiten, en hij nam anderen waar, die werkloos op de markt staan.
De markt is de plaats waar arbeiders wachten tot iemand hen roept. Zij staan daar “werkeloos”, niet uit luiheid, maar omdat zij niet gekozen zijn. Dit onderstreept opnieuw dat aeonisch leven ontvangen niet voortkomt uit eigen werk, maar uit geroepen worden.
4 En tegen diegenen zei hij: Jullie, ga ook heen naar mijn wijngaard, en wat rechtvaardig is, zal ik aan jullie geven.
5 En zij gingen weg. En omstreeks het zesde en het negende uur gaat hij weer naar buiten, en hij doet op dezelfde wijze.
belofte
Hier ontbreekt een vaste loonafspraak. De nadruk bij deze groepen ligt op de belofte en rechtvaardigheid van de heer. Dat vraagt overgave: zij weten niet wat zij zullen ontvangen en mogen vertrouwen op Gods goedheid, niet op vooraf vastgelegde beloning.
6 En omstreeks het elfde uur gaat hij naar buiten, en hij vond nog anderen staan, en hij zegt tegen hen: Waarom staan jullie hier de gehele dag werkeloos?
7 Zij zeggen tegen hem: Omdat niemand ons huurt. Hij zegt tegen hen: Jullie, ga ook heen naar de wijngaard.
vertrouwen
Het elfde uur is vrijwel het einde van de werkdag. Dat de heer zelfs dan nog arbeiders zoekt, onderstreept de overvloed van zijn genade. Niemand is te laat omdat de dag bijna voorbij is. Hun antwoord is veelzeggend: zij hebben niet geweigerd, maar zijn niet gevraagd. Dat haalt elke grond onder hoogmoed en eigen werken weg. Deze groep krijgt ook geen toezegging over het loon dat zij ontvangen. Zij doen simpelweg wat de heer van de wijngaard hen zegt en gaan op zijn woord af, een uitbeelding van vertrouwen.
8 En het wordt avond, en de heer van de wijngaard zegt tegen zijn opzichter: Roep de werkers en betaal hen het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.
9 En die van het elfde uur komen, en zij namen ieder een denarius in ontvangst.
de laatsten komen eerst
Hier blijkt wel dat dit vergelijkingsverhaal een toelichting is op de uitspraak dat velen eersten laatsten zullen zijn en vele laatste eersten. Bij het uitbetalen van het loon, begint de Heer bij de laatsten en daarna komen pas de eersten.
geen loon naar werken
De laatsten ontvangen een volledig dagloon, ondanks dat zij maar kort gewerkt hebben. Daarmee wordt duidelijk dat het loon niet berekend wordt naar de hoeveelheid werk. Het gaat hier niet om verdienste, maar om het deel krijgen aan het Koninkrijk.
10 En de eersten komen, en zij veronderstellen, dat zij meer zouden ontvangen. En ook zij ontvingen ieder een denarius.
de eersten komen laatst
Om het contrast te laten zien, worden de tussenliggende groepen overgeslagen en wordt van de laatsten meteen overgesprongen naar de eersten. Als zij aan de beurt komen, verwachten zij meer te krijgen. Dat lijkt vanuit menselijk oogpunt ook logisch. Maar ook zij ontvangen ieder één denarius. Daarmee blijkt dat Gods handelen de maatstaf is, en dat wij Zijn handelen niet kunnen leggen langs de lat van menselijke verdienste.
Jezus bevestigt dat er loon is (19:28-29), maar corrigeert tegelijk elk denken in termen van recht, aanspraak of voorrang (19:30 en 20:1-16). De gelijkenis functioneert dus als waarschuwing binnen de belofte.
11 En wanneer zij het ontvangen, morren zij tegen de huiseigenaar,
12 en zij zeggen: Deze laatsten deden één uur (werk), en jij maakt hen aan ons gelijk, wij, die de zwaarte van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.
morren
De arbeiders beginnen te morren. Zij richten hun onvrede tegen de heer van de wijngaard. Niet omdat zij te weinig ontvangen hebben, maar omdat anderen evenveel krijgen. Zij wijzen erop dat de laatsten maar één uur gewerkt hebben. Toch zijn zij gelijkgesteld met degenen die de hele dag gewerkt hebben. Dat voelt voor hen onrechtvaardig. Zij denken vanuit verdienste en werken.
13 En hij antwoordt één van hen, en hij zei: Vriend, ik doe jou geen onrecht. Ben jij niet met mij tot overeenstemming gekomen voor een denarius?
14 Neem het jouwe, en ga heen; want ik wil aan deze laatste hetzelfde geven als aan jou.
15 Is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen, wat ik wil? Of is jouw oog boosaardig, omdat ik goed ben?
De heer antwoordt één van hen persoonlijk. Hij noemt hem zelfs “vriend”. Daarna wijst hij erop dat hij geen onrecht heeft gedaan. De afgesproken denarius is immers uitbetaald. Hij zegt dat de arbeider zijn loon moet nemen en gaan. Tegelijk maakt hij duidelijk dat hij vrij is om de laatsten hetzelfde te geven. Het gaat om wat hij wil geven. Zijn goedheid staat centraal.
een boos oog
De heer stelt een scherpe vraag: mag hij niet met het zijne doen wat hij wil? Vervolgens vraagt hij of hun oog boos is omdat hij goed is. Daarmee legt hij de oorzaak van het morren bloot. Niet onrecht, maar afgunst ligt eraan ten grondslag.
16 Zó zullen de laatsten eersten zijn en de eersten laatsten.
Jezus sluit af met de bekende uitspraak: de laatsten zullen de eersten zijn en de eersten de laatsten. Daarmee keert het Koninkrijk de menselijke rangorde om. Wat bij mensen vanzelfsprekend lijkt, ligt bij God anders. Zijn genade laat zich niet berekenen.
een breder principe
Deze gelijkenis handelt niet over de ecclesia, het lichaam van Christus. Maar dat laatsten eersten worden, is een principe dat we vaker terugvinden in Gods handelen. Degenen die later komen, kunnen door God een plaats vóór anderen ontvangen. Dat principe zien we ook bij de ecclesia.
Wij sluiten wat dat betreft achteraan in de rij. We hebben inmiddels bijna zesduizend jaar menselijke geschiedenis achter de rug, waarin God vanaf Adam op diverse manieren heeft gehandeld met individuen en volken. De ecclesia werd pas veel later geroepen en bekendgemaakt.
laatsten worden eersten
Toch zullen wij bij de opstanding degenen die vóór ons kwamen voorgaan. Christus is de Eersteling en heeft de hoogste positie in de schepping. De ecclesia is Zijn lichaam en zal delen in Zijn positie en heerlijkheid.
Bij de wegrukking worden wij met Hem verenigd om zo altijd samen met Hem te zijn (1 Thess. 4:17). De doden in Christus staan dan op en de levend overgeblevenen worden veranderd. Gezamenlijk gaan wij de Heer tegemoet in de lucht. De overige doden zullen pas later worden opgewekt.
Ook daarin herkennen we dus het principe uit de gelijkenis: degenen die in Gods handelen als laatsten kwamen, gaan bij de opstanding anderen voor. Laatsten worden eersten.