Ruth heeft op het veld van Boaz gewerkt en heeft een grote opbrengst. Dan gaat ze naar huis en vertelt Naomi op wiens land ze heeft gewerkt. Als het Boaz blijkt te zijn, zegt Naomi dat hij een verwant van hen is, hij is één van de lossers.
Ruth 2
18 En zij nam het op en zij kwam in de stad. En haar schoonmoeder zag wat zij opgelezen had. En zij bracht het binnen en zij gaf aan haar wat zij overhield na verzadigd te zijn.
19 En haar schoonmoeder zei tot haar: Waar heb jij vandaag opgelezen en waar heb jij gewerkt? Gezegend hij die jou gekend heeft! En zij vertelde aan haar schoonmoeder bij wie zij werkte en zij zei: De naam van de man bij wie ik vandaag werkte is Boaz.
20 En Naomi zei tot haar schoondochter: Gezegend zij hij door JAHWEH, Die Zijn goedertierenheid niet heeft onthouden aan de levenden en de doden. En Naomi zei tot haar: De man is een verwant van ons; hij is één van onze lossers.
21 En Ruth, de Moabitische, zei: Hij vertelde me ook: Blijf bij mijn knechten, totdat zij gereed zijn met heel de oogst.
22 En Naomi zei tot Ruth, haar schoondochter: Het is goed, mijn dochter, dat jij uitging met zijn meisjes, en zij jou niet lastigvallen in een ander veld.
23 En zij sloot zich aan bij de meisjes van Boaz, om te rapen tot aan het beëindigen van de gersteoogst en de tarweoogst. En zij woonde bij haar schoonmoeder.
God is trouw
Naomi’s reactie is dat God Zijn goedertierenheid niet heeft onthouden aan de levenden en de doden. De levenden zijn Naomi en Ruth, de doden zijn Elimelech, Machlon en Chiljon. Typologisch spreekt het van God die trouw is aan Zijn volk, ook al bevindt het zich als natie nu in het graf (Rom.11:29). Over het herstel van Israël, zegt Paulus: wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden (Rom.11:15)?
goël
Naomi zegt tegen Ruth dat Boaz één van de lossers is. Een losser (Hebreeuws: goël) is een familielid, een naaste bloedverwant, die het recht had om het verloren familiebezit terug te kopen.
Leviticus 25
25 Wanneer uw broeder verarmd is en iets van zijn bezitting heeft moeten verkopen, dan zal zijn naaste bloedverwant als losser optreden, en hij zal loskopen wat zijn broeder heeft moeten verkopen.
losserschap
Naast deze functie, kon een losser optreden om los te kopen uit slavernij (Lev.25:47-49) en om het recht te herstellen (Num.35:19). Maar ook om nageslacht te verwekken bij een weduwe (het leviraatshuwelijk), zoals later in Ruth nog zal blijken (Ruth.4:3-10). Hier in Ruth 2 gaat het om het terugkopen van het land dat vanwege armoede was verkocht, zodat het binnen de familie blijft.
Het verkochte land was onder de wetgeving van Israël nooit iemands definitieve eigendom, omdat het land van God zelf was. Daarom kon het door de losser worden teruggekocht. Maar als er geen losser binnen de familie was, zou het land in het jubeljaar alsnog terugkomen bij de oorspronkelijke eigenaar (Lev.25:28).