In de vorige blog ging het over de uitverkiezing van Christus, Hij is Gods uitverkorene boven alle anderen. Maar wie de verborgenheid kent die Paulus bekendmaakt in zijn brieven, weet dat de ecclesia (gemeente) deelt in de positie van Christus en alle beloften die aan Hem zijn gedaan (Ef. 3:6). In Efeze 1:4, dat we in een volgende blog zullen bespreken, zegt Paulus dan ook dat wij “uitverkoren zijn in Hem”.
superieur?
Wij delen in Zijn uitverkiezing. Maar waarom zijn wij uitverkoren? Uitverkiezing is exclusief en dat zou bij degenen die uitgekozen worden een gevoel van superioriteit kunnen oproepen. Wij zijn immers uitgekozen boven anderen. Is dat omdat wij meer, beter of slimmer zijn? Nee, Paulus legt uit waarom en beweert zelfs het tegendeel. God kiest niet het verhevene uit, maar juist degenen die in de wereld niet in tel zijn. Hen verheft Hij en geeft Hij een bijzondere positie. In het gedeelte waarin Paulus dit verklaart, zegt hij ook waarom God dit zo doet.
Deze verzen vormen de afsluiting van Paulus’ betoog over het contrast tussen menselijke wijsheid en Gods wijsheid (1 Kor. 1:18-25). De Korinthiërs waren gevoelig voor status, kennis, invloed en menselijke grootheid. Paulus laat zien dat Gods handelen precies de tegenovergestelde richting uitgaat.
1 Korinthe 1
26 Want kijk naar jullie roeping, broeders: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
Paulus wijst de Korinthiërs op hun eigen achtergrond. Toen God hen riep, bestond de gemeente niet voornamelijk uit intellectuelen, machthebbers of mensen van goede afkomst. Hij zegt niet dat er géén wijzen of machtigen waren, maar “niet vele”. De ecclesia bestond vooral uit gewone mensen zonder aanzien. Paulus gebruikt hun eigen situatie als bewijs van zijn stelling: Gods werk is niet afhankelijk van menselijke kwaliteiten.
27 Maar God kiest de dwazen van de wereld uit, om de wijzen te schande te maken, en God kiest de zwakken van de wereld uit, om de sterken te schande te maken,
“De dwazen” en “de zwakken” zijn mensen die door de wereld als onbelangrijk, onbekwaam of betekenisloos worden beschouwd.
drie keer uitkiezen
Opvallend is dat Paulus driemaal het werkwoord “uitkiezen” gebruikt (vers 27-28). In de Statenvertaling en NBG weergegeven met “uitverkoren”. Gods keuze staat centraal. Hij kiest hen uit, niet omdat zij beter zijn dan anderen, maar zodat Zijn kracht zichtbaar wordt.
Het doet denken aan vele voorbeelden uit de Schrift, waarbij God handelt via de zwakke, de jongere, of op een naar menselijke maatstaven vreemde wijze. David werd verkozen boven zijn oudere broers, Gideons grote leger werd teruggebracht tot slechts 300 man, Israël veroverde Jericho zonder strijd en God verwekte leven bij onvruchtbare vrouwen. Telkens handelt God anders dan de mens zou verwachten.
God kiest niet wat voor mensen logisch, sterk, groot of indrukwekkend lijkt, maar juist het tegenovergestelde. Daarmee wordt duidelijk dat de uitkomst aan Hem te danken is en niet aan menselijke kracht.
28 en God kiest de onedelen van de wereld uit, en de verachten, en die niets zijn, opdat Hij die wat zijn, teniet zou doen.
29 zodat geen enkel vlees zich zal beroemen voor God.
die niets zijn en die wat zijn
De onedelen zijn mensen zonder afkomst of status. De verachten zijn mensen op wie wordt neergekeken. “Die niets zijn” zijn mensen die in de ogen van de wereld geen betekenis hebben. Daartegenover staan “die wat zijn”: mensen die zichzelf belangrijk achten of door anderen belangrijk worden gevonden. Dat zijn degenen die in de wereld hoog aangeschreven staan.
Het woord “tenietdoen” betekent hier niet vernietigen, maar buiten werking stellen, krachteloos maken. Hetzelfde woord gebruikt Paulus vaker voor iets dat zijn werking verliest. God laat zien dat menselijke roem geen waarde heeft.
Gods voornemen
Paulus noemt hier Gods plan van het uitkiezen van het zwakke, dwaze en onedele. Geen mens zal ooit kunnen zeggen: ik ben gered vanwege mijn wijsheid, of: ik ben geroepen vanwege mijn kwaliteiten. Alles komt voort uit God.
30 Maar uit Hem is het, dat jullie in Christus Jezus zijn, die van God wijsheid voor ons werd, en rechtvaardigheid, en heiliging, en verlossing.
De woorden “uit Hem” zijn cruciaal. De Korinthiërs bevinden zich in Christus, omdat God dat heeft bewerkt. Hun positie is niet hun eigen prestatie, maar Zijn werk. Vervolgens beschrijft Paulus Christus als Gods antwoord op alles wat de mens tekortkomt.
31 opdat het zal zijn, zoals er geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heer!
conclusie
Dit vers vormt de conclusie van Paulus’ hele betoog. God kiest niet de wijzen, machtigen en edelen van deze wereld, maar juist het dwaze, zwakke en onaanzienlijke. Ook onze positie in Christus en alles wat wij in Hem bezitten — wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing — komt niet voort uit onszelf, maar is volledig Gods werk. Daarom wordt alle menselijke roem uitgesloten.
Paulus citeert daarom Jeremia: “Wie roemt, laat hij roemen in de Heer” (Jer. 9:23-24). De enige juiste reden tot roemen is niet wie wij zijn, wat wij bereikt hebben of welke positie wij innemen, maar wie God is en wat Hij heeft gedaan. Gods handelen is erop gericht dat alle eer uiteindelijk naar Hem gaat en geen enkel mens zich op zichzelf zal beroemen.
Gods verkiezend handelen
Dit gedeelte uit 1 Korinthe 1 laat zien wat het doel van Gods verkiezend handelen is. Niet de mens staat centraal, maar God. Hij kiest wie voor de wereld onbeduidend lijkt, zodat alle eer uiteindelijk naar Hem gaat. Zoals Paulus concludeert: “Wie roemt, laat hij roemen in de Heer.”