waarom ik begrijp dat ik niet meer welkom ben in Eben-Haëzer

In mijn vorige blogs ben ik ingegaan op de mededeling die op zondag 12 juli in Eben-Haëzer Rotterdam werd gedaan, waarin werd meegedeeld dat ik daar niet langer welkom ben als spreker. Daarbij heb ik de opname van mijn spreekbeurt van 31 mei geplaatst, evenals de volledige correspondentie tussen de “leidinggevenden” van Eben-Haëzer en mij.

de werkelijke reden
Naar aanleiding daarvan heb ik veel reacties ontvangen. Via e-mail, social media, WhatsApp en telefoongesprekken. Daarbij kwam één misverstand een aantal keren terug en dat wil ik graag uit de weg ruimen. Sommigen lijken te denken dat ik het er niet mee eens ben dat de oudsten van Eben-Haëzer hebben besloten mij niet langer uit te nodigen als spreker. Dat is niet zo.

Integendeel.

Gezien de koers die de oudsten voor Eben-Haëzer hebben gekozen, begrijp ik die beslissing heel goed. De verschillen tussen ons zijn inmiddels zo fundamenteel geworden dat het logisch is dat onze wegen zich scheiden.

Mijn bezwaar is niet dat ik niet meer welkom ben, maar dat de gemeente een onjuiste voorstelling van zaken heeft gekregen over de reden daarvan.

Tegenover de gemeente is de indruk gewekt dat de sprekers is gevraagd niet respectloos over andere christenen te spreken, alsof wij geen omgang met hen zouden moeten hebben, en dat ik het daar niet mee eens ben en mij daar niet aan wilde houden. Dat is niet waar en daarnaast gaat het naar mijn overtuiging in werkelijkheid om een veel fundamenteler verschil.

waardering voor het verleden
Eben-Haëzer heeft jarenlang veel betekend voor de verkondiging van het evangelie van de redding van alle mensen. De mensen die aan de basis van de gemeente hebben gestaan, hebben door samenkomsten, onderwijs en literatuur velen bereikt en opgebouwd. Ook ik heb daar altijd veel waardering voor gehad.

Zelf ken ik de geschiedenis van Eben-Haëzer slechts gedeeltelijk. Ik ben nooit lid geweest, maar ben er enkele keren als spreker en bezoeker geweest en heb de gemeente altijd vanaf enige afstand gevolgd.

wie bepaalt de richting van de gemeente?
Wat mij in de correspondentie met de oudsten vooral opviel, is dat zij herhaaldelijk spreken over “de richting die de oudsten voor de gemeente hebben gekozen.” Volgens hen behoort een spreker geen boodschap te brengen die daarmee haaks staat.

Dat raakt een principiële vraag.

Wie bepaalt uiteindelijk de richting van een gemeente?

De Schrift of de oudsten?

leidinggevenden of één Hoofd?
In dezelfde correspondentie noemen de oudsten zichzelf onder meer “leidinggevenden” en in conversaties spreken zij over zichzelf als “bestuur”. Dat zijn termen die ik met betrekking tot de ecclesia niet in de Schrift tegenkom. De Schrift spreekt over één Hoofd van het lichaam: Christus (Ef. 1:22; Kol. 1:18).

Wanneer een groep mensen zichzelf aanduidt als leidinggevenden of bestuur en spreekt over de richting die zij voor de gemeente hebben gekozen, ontstaat daarmee feitelijk een onderscheiden partij binnen de ecclesia. Naar mijn overtuiging is dat precies wat Paulus aanduidt als partijschap (1 Kor. 11:19; Gal. 5:20).

de koers van de oudsten
Dat blijkt ook uit enkele uitspraken uit de correspondentie:

“Daarnaast staat de gewekte suggestie haaks op de richting die we met de oudsten en sprekers hebben uitgezet voor onze gemeente.”

“…of iets wat haaks staat op de richting die de oudsten als richting voor de gemeente hebben gekozen.”

“Maar als een spreker meent dat het niet zijn verantwoordelijkheid is om op te letten of iets opbouwend is, en het ook gebeurt dat een preek of preken veel negatieve reacties oproepen of haaks staan op wat volgens ons de goede richting is, dan geeft dat geen vertrouwen die spreker een volgende keer uit te nodigen.”

Uit deze citaten blijkt dat de discussie uiteindelijk niet ging over mijn spreekbeurt als zodanig, maar over de vraag of mijn verkondiging nog past binnen de richting die de oudsten voor Eben-Haëzer hebben gekozen. Maar wat is die richting?

Daarvan wil ik één voorbeeld geven.

“onze paus”
Twee weken na mijn spreekbeurt hield Thijs van Amersfoort een lezing met de titel AI en de Bijbel. Rond 55 minuten doet hij een uitspraak, die hij doet namens “de sprekers van EH”. Thijs wil aangeven hoe groot de groep gelovigen volgens hem is:

“Kun je je voorstellen hoe groot de groep gelovigen dan wel niet is? Zelfs onze paus, onze katholieke broeders zijn dan gelovigen. En wij horen allemaal tot dat ene lichaam.”

Ik citeer deze woorden niet om Thijs als persoon te beoordelen, maar omdat zij duidelijk maken welke richting binnen Eben-Haëzer wordt gekozen.

De paus laat zich aanspreken als “heilige vader”, noemt zich de plaatsvervanger van Christus op aarde en is hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk. De Schrift kent slechts één heilige Vader en slechts één Hoofd van het lichaam: Christus. Iemand die zich in de plaats van Christus stelt, noemt de Bijbel antichrist. Daar zouden er velen van komen (1 Joh. 2:18) en de paus is daar mijns inziens één van.

Wanneer iemand met zulke aanspraken wordt aangeduid als “onze paus” en de Rooms-Katholieke Kerk wordt omschreven als “onze katholieke broeders”, dan is voor mij een fundamentele grens overschreden.

waar ligt de grens?
Juist daarom heb ik in mijn spreekbeurt gewaarschuwd voor de ontwikkeling die Paulus beschrijft in de Timotheüsbrieven. Hij spreekt over mensen die afstand nemen van het geloof en zich keren tot leringen van demonen. Men zou de gezonde leer niet meer verdragen en zich keren tot mythen. Wat zou overblijven is een religieuze wereld met een schijn van godsvrucht. Als de Rooms-Katholieke kerk hier niet onder valt, welke groepering dan nog wel?

Als zelfs de paus niet meer wordt herkend als iemand die zich op meerdere punten de plaats toe-eigent die uitsluitend aan God de Vader en aan Christus toekomt, dan zie ik daarin juist de ontwikkeling waarvoor Paulus waarschuwt.

Wanneer zelfs de Rooms-Katholieke Kerk en de paus worden beschouwd als behorend tot hetzelfde lichaam van Christus, terwijl ik daarin juist de ontwikkeling zie waarvoor Paulus waarschuwt, is het niet meer dan logisch dat onze wegen zich scheiden.

Daarom begrijp ik heel goed dat ik niet langer welkom ben als spreker in Eben-Haëzer.

De oudsten kiezen ervoor de verbinding te zoeken met de bredere kerkelijke wereld. Dat blijkt uit hun uitspraken als “andere kerken” en “één verenigde kerk”, terwijl ik meen dat Paulus juist oproept zich af te keren van plaatsen waar een schijn van godsvrucht de gezonde leer heeft verdrongen. Dan is het onvermijdelijk dat onze wegen uiteenlopen.

mijn positie
Ik distantieer mij niet van kerkmensen in maatschappelijke verbanden. Maar ik distantieer mij wel van kerkelijke instituten en van leringen die naar mijn overtuiging het evangelie aantasten. Dat is iets anders dan geen omgang meer hebben met de mensen die zich daarbinnen bevinden.

conclusie
Wie de correspondentie leest, zal ontdekken dat het werkelijke verschil niet gaat over stijl of woordkeuze, maar over de vraag welke leringen vanaf het podium nog benoemd en weerlegd mogen worden.

Daarom begrijp ik heel goed dat de oudsten mij niet langer als spreker uitnodigen. Niet omdat mijn toon te scherp zou zijn, maar omdat mijn wijze van verkondigen haaks staat op de koers die zij voor Eben-Haëzer hebben gekozen. Dat is naar mijn overtuiging de werkelijke reden van ons uiteengaan.