5. de 70 weken van Daniël: 490 of 500 jaar?

Zeventig jaarweken bestaan uit zeventig perioden van zeven jaar. Een eenvoudige vermenigvuldiging levert dan 490 jaar op. Toch zagen we eerder dat de zeventig jaarweken binnen de Bijbelse chronologie een periode van vijfhonderd jaar vormen. Het verschil zit in de telling van het jubeljaar.

In de vorige blog eindigden we daarom met de vraag hoe het vijftigste jaar moet worden gerekend. Is het tegelijk het eerste jaar van een volgende cyclus, of wordt het werkelijk als een afzonderlijk jaar geteld?

apart gezet
De Schrift noemt het daaropvolgende jaar nadrukkelijk het vijftigste jaar.

Leviticus 25 (naar ISA)
10 En jullie zullen het jaar, het vijftigste jaar, heiligen…

Dat jaar moest worden geheiligd. Het woord heiligen betekent afzonderen, apart zetten of bestemmen. Het vijftigste jaar werd dus apart gezet van de voorafgaande 49 jaren. Het was het jubeljaar, met een geheel eigen plaats binnen de tijdrekening van Israël.

Daarmee kan het vijftigste jaar niet tegelijkertijd het eerste jaar van de volgende cyclus zijn. Het wordt immers geheiligd, dat wil zeggen: apart gezet. Wanneer het tegelijk het eerste jaar van de volgende reeks van zeven jaar zou zijn, staat het juist niet apart.

De meest voor de hand liggende lezing is daarom eenvoudig wat er staat:

49 jaren + het vijftigste jaar = 50 jaar

Een volledige jubeljaarcyclus beslaat daarmee vijftig jaar.

zes jaren zaaien
Een paar verzen eerder in Leviticus 25 wordt deze telling voorbereid. Van ieder sabbatsjaar had JAHWEH gezegd:

Leviticus 25 (naar ISA)
3 Zes jaren zal jij jouw land zaaien en zes jaren zal jij jouw wijngaard snoeien en zamel jij haar opbrengst in.
4 Maar in het zevende jaar zal er een sabbat van rust zijn voor het land…

Het patroon is dus steeds zes jaren waarin gezaaid wordt, gevolgd door een zevende jaar waarin het land rust. Maar ook in het jubeljaar mocht niet worden gezaaid:

Leviticus 25 (naar ISA)
11 Een jubeljaar zal dit, het vijftigste jaar, voor jullie zijn. Jullie zullen niet zaaien en jullie zullen niet oogsten wat vanzelf opkomt en jullie zullen de ongesnoeide wijnstokken niet afsnijden.

Wanneer het vijftigste jaar tegelijk het eerste jaar van de volgende cyclus zou zijn, begint die nieuwe cyclus dus met een jaar waarin niet gezaaid mag worden. Daarna zouden nog slechts vijf jaren overblijven waarin gezaaid kan worden voordat het zevende jaar opnieuw als sabbatsjaar aanbreekt.

Dat past niet bij de eerder gegeven regel: zes jaren zaaien en het zevende jaar rusten.

Ook hieruit blijkt dat het jubeljaar niet tegelijk jaar één van de volgende reeks kan zijn. Het staat als vijftigste jaar apart tussen twee reeksen van zeven maal zeven jaar.

tien jubeljaarcycli
Dat heeft gevolgen voor de manier waarop we met de zeventig jaarweken rekenen. Zeventig jaarweken kunnen worden verdeeld in tien groepen van zeven jaarweken:

70 jaarweken = 10 × 7 jaarweken

Iedere groep van zeven jaarweken brengt ons volgens Leviticus 25 na 49 jaren bij het vijftigste jaar. Een volledige cyclus beslaat dus vijftig jaar:

7 jaarweken + jubeljaar = 50 jaar

Tien van zulke cycli beslaan:

10 × 50 = 500 jaar

De zeventig jaarweken bevatten op zichzelf 490 jaren. Maar na iedere zeven jaarweken volgt het vijftigste jaar, zodat de volledige periode tien jubeljaren bevat. Chronologisch beslaan de zeventig jaarweken daarmee vijfhonderd jaar.

vier keer vijfhonderd
Nu wordt ook duidelijk waarom we deze serie begonnen met het grotere chronologische patroon. Vanaf Abraham zagen we vier opeenvolgende perioden van vijfhonderd jaar:

van Abraham tot uittocht: 500 jaar
van uittocht tot Salomo: 500 jaar
van Salomo tot Kores: 500 jaar
van Kores tot Christus: 500 jaar

De laatste periode wordt gevormd door tien jubeljaarcycli, oftewel de zeventig jaarweken van Daniël.

Vanaf Abraham tot Christus gaat het daarmee om:

4 × 500 = 2000 jaar
40 × 50 = 40 jubeljaarcycli

De zeventig jaarweken staan dus niet los binnen de Bijbelse chronologie. Zij vormen het laatste blok van tien jubeljaren binnen een grotere periode van veertig jubeljaren.

Daarmee weten we hoe lang de periode is. Maar om met een periode van vijfhonderd jaar te kunnen rekenen, moeten we natuurlijk ook weten waar zij begint. Gabriël geeft daarvoor in Daniël 9:25 een concreet aanknopingspunt: “vanaf het uitgaan van het woord om terug te doen keren en om Jeruzalem te bouwen”.

Welk woord wordt daarmee bedoeld en wanneer ging het uit? Dat is de volgende vraag die moet worden beantwoord.