Richteren 7:4-6 de Gideonsbende

Israël stond tegenover een enorme overmacht van het leger van de Midianieten, dat meer dan vier keer zo groot was. Toch vond God het leger van Gideon nog te groot en moest hij het verder inkrimpen. God zou Gideon immers de overwinning schenken met een klein leger. In de eerste selectie mocht iedereen die bang was naar huis terugkeren. Tweeëntwintigduizend manschappen maakten van die gelegenheid gebruik, waardoor slechts tienduizend strijders overbleven.

Richteren 7
4 En JAHWEH zegt tot Gideon: Er is nog teveel volk. Doe ze afdalen naar het water, en Ik zal ze daar voor jou louteren. En het gebeurt van wie Ik tot jou zal zeggen: Deze zal met jou gaan, hij zal met jou gaan; en allen van wie Ik tot jou zal zeggen: Deze zal niet met jou gaan, hij zal niet gaan.
5 En hij doet het volk afdalen naar het water en JAHWEH zegt tot Gideon: Elk die met zijn tong likt van het water zoals de hond likt, stel hem terzijde, en elk die zich kromt op zijn knieën om te drinken.
6 En het getal van die likken van hun hand naar hun mond is driehonderd mannen. En heel de rest van het volk kromde zich op hun knieën om te drinken van het water.

afzonderen
In deze onderbreking van de geschiedenis van Gideon, zegt God tegen Gideon dat Hij zijn leger zal louteren. De NBG vertaling vertaald met “schiften”, maar hier wordt hetzelfde woord gebruikt als voor het louteren van zilver (Ps.12:6; 66:10; Zach.13:9). God gaat de groep zuiveren, door een deel apart te zetten en dit gebeurt op een wel heel bijzondere manier.

honden
Gideon moet het volk bij het water brengen en iedere man die met zijn tong het water likt, zoals een hond likt, moet apart gezet worden. De hond is een uitbeelding van de natiën (Matth.15:6). Water is een type van het woord van God (Ef.5:26) en in deze geschiedenis gaat het om bronwater (Jer.2:13). De tong die likt, spreekt van degenen uit de natiën, die het woord van God op hun tong hebben (2 Sam.23:2). Van hen die afgezonderd zijn van Israël en Jezus Christus belijden als Heer (Fil.2:11). De 300 mannen van het gezelschap dat aan Gideon wordt toegewezen, zijn een uitbeelding van de ecclesia.

godsdienst
In eerste instantie keerden van het volk tweeëntwintigduizend mannen terug. Zij zagen aan wat voor ogen is en waren bang voor het grote leger van de Midianieten. Maar van de tienduizend die overblijven, buigt het overgrote deel weliswaar de knieën, maar drinkt niet zoals God dat verlangt. Ze hebben een vorm van godsvrucht (2 Tim.3:5), maar het is slechts godsdienstigheid. De religieuze mens nadert tot God met woorden en eert Hem met de lippen, maar het hart is verre van Hem (Jes.29:13). Zij hebben geen deel aan Gideon.

een onverstandig volk
Het idee van de 300 man die het water tot zich nemen als een hond, is dat het een nogal onbeschaafde manier is om zo te drinken. Het spreekt van “de natiën, die het woord anders tot zich nemen dan Israël. Voor het Joodse volk is het woord “gebod op gebod, regel op regel” (Jes.28:10,13), Zij dachten rechtvaardig te zijn door te werken (Rom.9:31). De gelovigen uit de natiën lezen hetzelfde woord en zien dat het spreekt van genade en beloften, en zij geloven het (Rom.4:4,16,21-22).

dwaas
De ecclesia, die uit de natiën wordt verzameld, is in de ogen van Israël “een onverstandig volk” (Rom.10:19) en dat is precies hoe de ecclesia wordt beschreven: niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze van deze wereld heeft God uitgekozen (1 Kor.1:26-27). Daar spreken deze 300 mannen van.