In de vorige blogs zagen we dat de Schrift na de ballingschap spreekt over één Israël, bestaande uit twaalf stammen. Ook zagen we dat het grootste deel van de tien stammen niet terugkeerde naar het land, maar opging in de natiën. Voorstanders van de leer van de verloren tien stammen menen dat deze natiën, die ooit Israëlitisch waren, in werkelijkheid nog steeds Israël zijn en vandaag onder ons aanwezig zijn, met name onder de Angelsaksische volken.
Maar hoe maakt de Schrift eigenlijk onderscheid tussen Israël en de natiën?
Vandaag wordt vaak gedacht in termen van afkomst, DNA en genealogie. De bijbel legt het onderscheid echter ergens anders.
het teken van het verbond
Toen God Zijn verbond met Abraham sloot, gaf Hij hem een zichtbaar teken.
Genesis 17 ISA
10 Dit is mijn verbond, dat jullie in acht zullen nemen tussen Mij en jullie en jouw zaad na jou: dat bij jullie elke mannelijke besneden wordt.
11 En het vlees van jullie voorhuid zal worden besneden; en dit zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en jullie.
(…)
14 En de onbesneden mannelijke, waarvan het vlees van zijn voorhuid niet wordt besneden, deze ziel zal afgesneden worden van zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.
De besnijdenis was niet zomaar een gebruik of een religieuze traditie. Het was het teken van Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Iedere mannelijke Israëliet moest worden besneden. Wie onbesneden bleef, werd afgesneden van het volk.
Het is daarom niet vreemd dat Israël in de Schrift wordt gekenmerkt door de besnijdenis.
een vreemdeling wordt als een geboren Israëliet
Een Israëliet wordt dus onderscheiden door de besnijdenis. Een onbesnedene werd niet gerekend tot het volk. Maar ook het omgekeerde is waar. Een vreemdeling uit de natiën kon door besnijdenis worden gerekend tot Israël.
Exodus 12 ISA
48 Wanneer nu een vreemdeling bij u verblijft en voor JAHWEH Pesach wil vieren, dan zal al wat mannelijk is bij hem besneden worden. Dan zal hij naderbij komen om het te vieren. Hij zal gelden als iemand die in het land geboren is.
Hier zien we dat afkomst niet beslissend is. Deze man is geen afstammeling van Abraham, Izak of Jakob. Toch wordt hij, na besnijdenis, gerekend als iemand die in het land geboren is.
Dat is opmerkelijk. Het laat zien dat de Schrift Israël niet in de eerste plaats definieert op grond van afkomst, maar op grond van het teken van het verbond: de besnijdenis.
de besnijdenis
In het Nieuwe Testament wordt “de besnijdenis” regelmatig gebruikt als aanduiding voor Israël.
Paulus schrijft:
Romeinen 3 ISA
1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?
De Jood en de besnijdenis worden hier praktisch gelijkgesteld.
Ook in Galaten maakt Paulus dit onderscheid.
Galaten 2 ISA
7 Maar integendeel: wanneer zij weten, dat aan mij het evangelie van de voorhuid toevertrouwd is, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis –
8 want Hij, die in Petrus werkt tot het apostelschap van de besnijdenis, werkt ook in mij, voor de natiën –
De besnijdenis is hier Israël. De voorhuid is een synoniem voor de natiën. Dat blijkt ook uit het vervolg.
9 (…) gaven Jakobus, Kefas en Johannes (…) aan mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap: wij inderdaad, tot de natiën, en zij tot de besnijdenis.
In vers 7 spreekt Paulus over de voorhuid en de besnijdenis. In vers 9 spreekt hij over de natiën en de besnijdenis. Hieruit blijkt dat de voorhuid en de natiën dezelfde groep betreft.
de voorhuid
Het tegenovergestelde van de besnijdenis, is dus de voorhuid (onbesnedenen). In het Oude Testament worden de volken rondom Israël regelmatig aangeduid als onbesnedenen.
David zegt over Goliath:
1 Samuël 17 ISA
26 Toen zeide David tot de mannen die bij hem stonden: (…) Wie toch is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God tart?
De Filistijnen waren geen Israëlieten. Zij behoorden tot de volken. Daarom worden zij aangeduid als onbesnedenen.
Hetzelfde onderscheid vinden we terug bij Paulus.
natiën in het vlees
In Efeze 2 richt Paulus zich tot gelovigen uit de natiën.
Efeze 2 ISA
11 Herinner je daarom, dat jullie eens – jullie, de natiën in het vlees, die Voorhuid genoemd worden door de zogenoemde Besnijdenis, die aan het vlees met handen geschied –
Paulus noemt zijn lezers hier “natiën in het vlees”. Zij behoorden naar hun afkomst tot de heidenvolken. Daarnaast zegt hij dat zij werden aangeduid als “voorhuid” door hen die “besnijdenis” genoemd werden.
De tegenstelling die Paulus maakt is duidelijk: de besnijdenis tegenover de voorhuid (de onbesnedenen). Of: Israël tegenover de natiën.
Opvallend is dat Paulus niet spreekt over twee stammen en tien stammen. Ook spreekt hij niet over verborgen Israëlieten die hun afkomst vergeten zijn. Hij maakt onderscheid tussen Israël en de natiën.
vervreemd van het burgerschap van Israël
Paulus vervolgt:
Efeze 2 ISA
12 dat jullie in die periode zonder Christus waren, vervreemd van het burgerrecht van Israël en gasten van de verbonden van de belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld.
Hier wordt het nog duidelijker. Deze mensen waren vervreemd van het burgerrecht van Israël. Zij waren vreemdelingen ten opzichte van de verbonden die God met Israël had gesloten.
Dat zijn opmerkelijke woorden als de natiën eigenlijk afstammelingen van Israël zouden zijn. Paulus zegt niet dat zij hun afkomst waren vergeten. Hij zegt dat zij vreemdelingen waren ten opzichte van Israëls verbonden.
Het woord “vervreemd” betekent niet dat zij eerst wel deel hadden aan het burgerschap van Israël en dat vervolgens zijn kwijtgeraakt. De andere keren dat het Griekse woord apallotrioō in het Nieuwe Testament voorkomt, heeft het die betekenis ook niet (Ef. 4:18; Kol. 1:21). Het duidt op iemand die vreemd is aan iets, er geen deel aan heeft of ervan uitgesloten is.
Paulus beschrijft zijn lezers daarom niet als Israëlieten die hun identiteit zijn kwijtgeraakt, maar als mensen die geen deel hadden aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen waren ten opzichte van de verbonden van de belofte.
Maar zelfs als men in het woord “vervreemd” de gedachte wil lezen dat zij ooit deel hadden aan het burgerschap van Israël, dan ondersteunt dat de leer van de verloren tien stammen nog niet. Paulus spreekt hen immers niet aan als Israël, maar als natiën. Wat hun afkomst ook geweest mag zijn, in zijn betoog worden zij gerekend tot de natiën en niet tot Israël.
opgegaan in de natiën
In eerdere blogs zagen we dat het grootste deel van de tien stammen niet terugkeerde naar het land. Zij vermengden zich met andere volken en gingen op in de natiën. Dat is ook precies wat Hosea had voorzegd.
Hosea 1 ISA
9 En Hij zei: Noem hem Lo-Ammi [niet mijn volk], want jullie zijn Mijn volk niet, en Ik zal van jullie niet zijn.
Het volk werd Lo-Ammi, oftewel: niet Mijn volk.
Wie opgaat in de natiën, wordt in de Schrift niet langer als Israël aangeduid, maar als behorend tot de natiën. Dat betekent niet dat Gods beloften aan Israël zijn vervallen. De profeten spreken uitgebreid over een toekomstig herstel van Israël. Maar dat verandert niets aan het punt dat mensen die onder de volken leven en niet meer als Israël herkenbaar zijn, in de Schrift worden gerekend tot de natiën en niet tot Israël.
conclusie
De Schrift maakt onderscheid tussen Israël en de natiën door middel van de besnijdenis. Israël wordt gekenmerkt door de besnijdenis, de natiën door de voorhuid. Wanneer Paulus spreekt over de natiën, noemt hij hen voorhuid (onbesnedenen), vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen ten opzichte van de verbonden van de belofte.
Daarom geeft de Schrift geen aanleiding om de natiën te beschouwen als verborgen Israëlieten. De natiën zijn natiën en Israël is Israël. Dat is het onderscheid dat de Schrift zelf maakt.