Richteren 6:26-27 priesterlijk en verborgen

We zagen dat Gideon het heiligdom van Baäl en Asjera afbrak en er een nieuw altaar voor JAHWEH bouwde. In het  vervolg zien we dat hij het hout van de Asjerapaal, die hij omhakt, moet gebruiken voor het offer van de stier. Het oude verbond wordt weggenomen en wordt vervuld in het nieuwe verbond.

Richteren 6
26 … en neem de tweede jonge stier en offer hem ten brandoffer met het hout van de Asjerapaal, die jij zal omhakken.
27 En Gideon nam tien mannen van zijn dienaren en hij deed zoals JAHWEH tot hem had gesproken. En het gebeurde, omdat hij het huis van zijn vader en de mannen van de stad vreesde om het overdag te doen, dat hij het in de nacht deed.

brandoffer
Gideon zou de jonge stier offeren. Het slachten van het offerdier spreekt van de dood van Christus. Het offerdier werd na de slachting, verhoogd op het altaar en steeg op “tot een liefelijke reuk voor JAHWEH” (Ex.29:18; Num.15:3). Dat is een uitbeelding van de opstanding en hemelvaart van Christus. Het zinsdeel “offer hem ten brandoffer” is letterlijk: doe het opgaan als opstijgoffer.

priesterlijk
Gideon krijgt van God de opdracht om de stier te offeren. Hiermee vervult Gideon een priesterlijke functie, iets dat onder het oude verbond onmogelijk was, omdat dit voorbehouden was aan de stam van Levi (Num.3:5-10) en hij was geen Leviet (Richt.6:15). Gideon is hierin een type van Christus, die ook niet uit de stam van Levi was, maar toch Hogepriester. Echter, niet naar de orde van Aäron en het oude verbond, maar naar de wijze van Melchizedek en het nieuwe verbond (Hebr.7:11-17).

verborgen
Van wat Gideon doet, wordt tweemaal gezegd dat het zich afspeelt in de nacht (vers 25 en 26). De nacht is een uitbeelding van onze tijd (Rom.13:12), waarin Israël in duisternis is en onwetend. Gideon deed zijn werk heimelijk, een uitbeelding van de verborgenheid.

Gideon is nog geen leider van Israël, maar wel door God geroepen en aangesteld. Voordat hij richter wordt van Israël, vervult hij een priesterlijke taak. Hij is hierin een uitbeelding van Christus, die voordat het volk Israël Hem erkent als Verlosser, een priesterlijk werk doet in het verborgene.

David
We kennen in de Schrift nog meer voorbeelden van mensen die zich priesterlijk gedroegen, maar niet uit de stam van Levi kwamen. Een mooi voorbeeld hiervan is David, die al gezalfd (Hebreeuws: mashiach) was als koning (1 Sam.16:13), maar nog niet op de troon zat. Hij was op de vlucht voor Saul  en net voordat David zich verbergt in Adullam (1 Sam.22:1), is hij op een geheime missie en komt in de tabernakel bij de priester Achimelech. Daar neemt hij de toonbroden en eet ervan (1 Sam.21:1-6). Onder het oude verbond waren deze toonbroden slechts bestemd voor de priesters, alleen zij mochten ervan eten (Lev.24:9).

Ook David, die geen Leviet was, maar uit de stam van Juda, is hier een type van Christus. Hij doet een werk in het verborgene en is Koning én Priester, naar de orde van Melchizedek (Hebr.7:1).