Joden of Israëlieten?

Onlangs sprak ik op een bijbelstudie over Paulus, apostel van de natiën. Daar kreeg ik de vraag: wat is nu eigenlijk een Jood in de bijbel? Deze studie ging voornamelijk over Paulus als apostel der heidenen, maar ook over de twaalf apostelen, met hun bediening gericht op het Joodse volk. De vraag in deze context is dan ook met name: wat is een Jood in het nieuwe testament? Is dat iets anders dan een Israëliet? Om antwoord op die vraag te geven, moeten we de geschiedenis uit het oude testament eens nader bekijken.

Splitsing Israël
In 1 Koningen 11 en 12 wordt de aanzegging en splitsing van het koninkrijk van Israël beschreven. Vanaf dat moment is er niet meer één koninkrijk van twaalf stammen, maar wordt er onderscheid gemaakt tussen Juda (twee stammen rijk) en Israël (tien stammen rijk).
Sommigen concluderen hieruit dat in de dagen van het nieuwe testament en ook in onze dagen, een Jood iemand is uit de twee stammen (Juda en Benjamin) en dat de term Israël gereserveerd zou zijn voor de overige tien stammen. Maar is dat terecht?

Ballingschap
In 2 Koningen 17 lezen we hoe Israël, het tien stammen rijk, vanwege afgoderij, wordt veroverd en uit het land wordt weggevoerd in ballingschap  naar Assyrië.
In 2 Koningen 25 en 2 Kronieken 36 wordt beschreven hoe Juda, het twee stammen rijk, wordt veroverd en weggevoerd wordt in ballingschap naar Babel.

Het tien stammen rijk is als geheel nooit teruggekeerd naar het land, maar het grootste deel ervan  heeft zich vermengd met andere volkeren. Slechts enkelen zijn naar het land teruggekeerd, maar het overgrote merendeel is verdwenen onder de natiën en hierdoor “vervreemd van het burgerschap van Israël” (Ef.2:12)

Terugkeer
Aan het slot van 2 Kronieken 36 lezen we dat koning Kores van Perzië, een oproep doet aan het volk om terug te keren naar het land Juda en de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Kores had deze opdracht gekregen van Jahweh, de God van de hemelen (vers 23). Aan Kores waren alle koninkrijken van de aarde gegeven en de oproep wordt dan ook gedaan aan geheel het volk (2 Kron.36:23, Ezra 1:1-4). Ook de 10 stammen in Assyrië waren bij deze oproep ingesloten (Ezra 6:22).

Ezra en Nehemia
In de boeken van Ezra en Nehemia wordt uitgebreid over de terugkeer van het volk naar het land Juda gesproken. Bijzonder nauwkeurig wordt het aantal teruggekeerde ballingen vermeld: 49.697 mensen (Ezra 2:64; Neh.7:66-67). Met betrekking tot het volk worden er termen gebruikt als gans Israël (Ezra 2:70; Neh.7:73), zonen van Israël (Ezra 3:1; Neh.1:6). Maar zij worden ook genoemd: volk van Juda (Ezra 4:4), zonen van Juda (Neh.13:16) en Joden (Ezra 5:1; Neh.2:16, 4:1, 2, 12; 5:1, 8, 17; 6:6).
De teruggekeerde ballingen zijn leden uit alle twaalf stammen van Israël (Ezra 6:17), die zijn gaan wonen in het land van Juda. Zij worden aangeduid met termen als Joden en Israël. Hieruit kunnen we concluderen dat vanaf dit moment deze begrippen als synoniemen gelden.

Jood en Israëliet in het nieuwe testament
Als we dan in het nieuwe testament aankomen, worden we hierin bevestigd. Het is bijvoorbeeld de apostel Petrus die in zijn toespraak op de Pinksterdag zijn toehoorders aanspreekt met: “Joodse mannen” (Hand.2:14), maar ook met: “Israëlitische mannen” (Hand.2:22). Vergelijk vers 36.
En ook bij Paulus zien we dat hij deze termen door elkaar gebruikt. In hetzelfde Schriftgedeelte spreekt hij van Joden (Rom.9:24) en over Israël (Rom.9:6, 27, 31). Of even verder waar hij spreekt van zowel mijn vlees (Paulus was uit de stam van Benjamin) als over Israël (Rom.10:19).
Wanneer Paulus voor Agrippa verantwoording aflegt spreekt hij drie maal van Joden (Hand.26:2, 3, 4) en dan zegt hij:

7 welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. (…)

Paulus spreekt hier over de twaalf stammen als een eenheid, een religieuze eenheid.

Conclusie
Slechts een klein deel van het volk keerde in de dagen van Ezra en Nehemia terug naar het land. Het grootste deel hiervan was afkomstig uit de twee stammen, Juda. Slechts een klein deel was afkomstig uit de tien stammen. Toch gebruikt de Schrift voor het gehele volk zowel de term Joden als Israëlieten. De apostelen, zoals Paulus en Petrus, gebruiken ook beide uitdrukkingen door elkaar. Hiermee is duidelijk dat deze begrippen vanaf die tijd gelden als synoniemen.