Paulus richt zich nu tot slaven, wellicht te vergelijken met werknemers in onze tijd. Hij roept hen op hun werk niet alleen goed te doen wanneer iemand toekijkt of om mensen te behagen, maar met een oprecht hart en met ontzag voor de Heer. Alles wat zij doen, zouden zij van harte doen, alsof zij voor de Heer werken en niet voor mensen.
Daarmee verlegt Paulus de aandacht van de aardse heer naar de hemelse Heer. Uiteindelijk is Christus Degene Die wij dienen en van Hem zullen wij als vergoeding het lotsdeel ontvangen. Zo laat Paulus zien dat wanneer wij in geloof de positie innemen waarin God ons heeft gesteld, wij alles doen in de naam van de Heer Jezus, terwijl wij God, de Vader, door Hem danken (vers 17).