In de vorige blog zagen we dat op de dorsvloer van Arauna later de tempel werd gebouwd. De tempel is het middelpunt van Jeruzalem, “de stad van de grote Koning” (Matth.5:35) en de hoofdstad van het Messiaanse Koninkrijk in de duizend jaar.
Gideon
Een andere bekende dorsvloer is die van Gideon, die we vinden in het boek Richteren. In de inleiding hebben we al besproken dat de boeken Ruth en Richteren, zich in dezelfde periode afspelen (Ruth 1:1). In het boek Richteren vinden we telkens terugkeren dat het volk ‘deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH’, waarop God een vijandig volk stuurt. Als het volk in haar benauwdheid de naam van God begint aan te roepen, stuurt Hij een verlosser. Eén van hen is Gideon.
teken op de dorsvloer
De geschiedenis van de dorsvloer vinden we voorafgaand aan het verslaan van de Midianieten door Gideon. Gideon vraagt aan God een dubbel teken om te bevestigen dat hij degene is door wie God Israël wil bevrijden van de Midianieten.
twee keer
Gideon legt een wollen schapenvacht op de dorsvloer. De eerste keer is het wollen vlies nat van de dauw en de grond eromheen droog. De tweede keer is het precies andersom en is de vacht droog en de omringende aarde nat van de dauw.
eerste en tweede komst
De wollen vacht spreekt van Hem, die kwam als het ware Paaslam, Christus Jezus (1 Kor.5:7). Hij werd als een lam ter slachting geleid en als een schaap dat stom is voor Zijn scheerders (Jes.53:7). De dauw is een uitbeelding van leven en zegen. Christus is de Eerste(ling) en bij zijn eerste komst werd Hij door God opgewekt uit de dood en ontving onvergankelijk leven. Bij Zijn tweede komst zal de hele aarde delen in deze zegening van nieuw leven.
de ware Losser
Op deze dorsvloer laat God zien dat Gideon Israëls verlosser is (Richt. 6:36). Maar onder de oppervlakte is het een uitbeelding van Degene die God heeft aangewezen als de ware Losser van Israël: Jezus Christus. De parallel met de geschiedenis van Ruth dringt zich op: daar is het Boaz, een verwant van Naomi en Ruth, die op de dorsvloer wordt aangewezen als losser (Ruth 3:9).