In de vorige blog zagen we dat de Schrift een duidelijk onderscheid maakt tussen Israël en de natiën. Israël wordt gekenmerkt door de besnijdenis, de natiën door de voorhuid. Ook zagen we dat Paulus zijn lezers in Efeze beschrijft als mensen die geen deel hadden aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen waren ten opzichte van de verbonden van de belofte.
Toch wordt regelmatig beweerd dat de natiën waar Paulus naartoe werd gezonden, in werkelijkheid afstammelingen waren van de verloren tien stammen van Israël. De gedachte is dan dat Paulus niet werkelijk naar de heidenen ging, maar naar Israëlieten die hun afkomst waren vergeten. Klopt dat?
apostel van de natiën
Paulus noemt zichzelf:
Romeinen 11 ISA
13 Tot jullie echter zeg ik, de natiën: in zoverre ik dan, inderdaad, apostel van de natiën ben, verheerlijk ik mijn bediening…
Paulus zegt niet dat hij gezonden is naar verborgen Israëlieten. Hij noemt zichzelf apostel van de natiën. Dat roept de vraag op wat Paulus onder de natiën verstaat. Bedoelt hij daarmee werkelijk heidenen, of zijn dat eigenlijk de tien stammen van Israël? Om die vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de manier waarop Paulus deze begrippen gebruikt.
zonder onderscheid
Wanneer Paulus over de natiën spreekt, maakt hij nooit onderscheid tussen verschillende soorten natiën. Hij spreekt eenvoudigweg over de natiën of anders gezegd: de heidenen.
Nergens maakt hij onderscheid tussen een Israëlitisch deel van de natiën en een niet-Israëlitisch deel.
Dat zou juist voor de hand hebben gelegen wanneer de verloren tien stammen een belangrijke rol zouden spelen in zijn bediening. Maar Paulus doet dat nergens. Voor hem zijn de natiën eenvoudig de natiën.
allen overal
Wanneer Paulus op de Areopagus in Athene spreekt, richt hij zich niet tot Joden, maar tot heidenen. Daar zegt hij:
Handelingen 17 ISA
30 Aan de tijden van onwetendheid voorbijziende, geeft God nu opdracht aan alle mensen, overal, zich te bezinnen.
Opvallend is dat Paulus hier geen enkel onderscheid maakt tussen verschillende soorten natiën. Hij spreekt eenvoudigweg over “allen” en over “overal”. Dat sluit aan bij zijn bediening als apostel van de natiën. Overal waar Paulus komt, verkondigt hij hetzelfde evangelie. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen een Israëlitisch deel van de natiën en een niet-Israëlitisch deel.
Wanneer de verloren tien stammen een bijzondere plaats zouden innemen binnen zijn bediening, zou het voor de hand liggen dat Paulus daar ergens melding van maakt. Dat doet hij echter nergens. Zijn boodschap is gericht tot allen overal.
natiën en Israël
In Romeinen 9 maakt Paulus een duidelijk onderscheid tussen Israël en de natiën.
Romeinen 9 ISA
30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de natiën, die geen rechtvaardigheid najaagden, rechtvaardigheid grepen, een rechtvaardigheid, echter die uit geloof is,
31 maar Israël, die een wet van rechtvaardigheid najaagde, is aan de wet van rechtvaardigheid niet toegekomen.
Paulus zet hier twee groepen tegenover elkaar: de natiën en Israël.
Opvallend is dat hij niet spreekt over Juda tegenover Israël, of over twee stammen tegenover tien stammen. Zijn tegenstelling is die tussen Israël en de natiën. Wanneer de natiën eigenlijk de tien stammen zouden zijn, wordt deze tegenstelling moeilijk te begrijpen. Dan zou Paulus Israël tegenover Israël plaatsen.
waar zijn de tien stammen?
Opvallend is dat het Nieuwe Testament nergens spreekt over “de tien stammen”. Dat is opmerkelijk, want volgens de gangbare opvatting over de verloren tien stammen zouden zij nog steeds als een afzonderlijk deel van Israël bestaan. Sommigen menen zelfs dat Paulus aan het begin van zijn bediening juist werd gezonden om deze verloren tien stammen te bereiken.
De apostelen gebruiken deze aanduiding echter nergens. Zij spreken over Israël, de twaalf stammen, Joden en natiën, maar nooit over een afzonderlijke groep die “de tien stammen” wordt genoemd.
Paulus spreekt zelfs over:
Handelingen 26 ISA
7 welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken (…)
Niet twee stammen en tien stammen, maar twaalf stammen als één geheel. De apostelen kennen geen afzonderlijke groep van “verloren tien stammen”, maar spreken over Israël als één volk, bestaande uit twaalf stammen.
een volk dat geen volk is
Even verderop schrijft Paulus:
Romeinen 10 ISA
19 Maar, zeg ik: Wist Israël het helemaal niet? Eerst zegt Mozes: Ik zal jullie jaloers maken op wat geen natie is, Ik zal jullie tot toorn verwekken door een onverstandige natie.
Paulus haalt hier Mozes aan en past deze woorden toe op zijn eigen bediening. God gebruikt een volk dat “geen volk” is om Israël tot jaloersheid te verwekken. Dat roept een eenvoudige vraag op. Hoe kan Israël tot jaloersheid worden verwekt door Israël?
Wanneer de natiën in werkelijkheid de tien stammen van Israël zijn, verliest Paulus’ argument zijn kracht. Dan zou God Israël jaloers maken door middel van Israël. Paulus maakt echter onderscheid tussen Israël enerzijds en een volk dat “geen volk” is anderzijds.
Handelingen 15
Ook de bespreking in Handelingen 15 is veelzeggend. Daar ontstaat discussie over gelovigen uit de natiën. De vraag luidt:
Handelingen 15 ISA
5 Maar er staan sommigen op vanuit de groepering van de Farizeeën, die gelovig zijn geworden, en zij zeggen, dat men hen moet besnijden, en bovendien hen opdracht te geven om de wet van Mozes te bewaren.
Waarom wordt deze vraag gesteld? Omdat iedereen ervan uitgaat dat deze mensen niet tot Israël behoren. Als zij Israëlieten waren, zou de vraag geen zin hebben. Een Israëliet hoeft immers niet eerst Israëliet te worden. Juist de discussie laat zien dat de natiën worden gezien als mensen buiten Israël.
De conclusie van de apostelen is vervolgens niet dat deze mensen alsnog Israël moeten worden, maar dat God ook uit de natiën een volk voor Zijn naam verzamelt (Hand. 15:14).
wilde takken
In Romeinen 11 gebruikt Paulus het beeld van de olijfboom. Sommige takken zijn uitgebroken en andere worden geënt. Tegen de natiën zegt Paulus:
Romeinen 11 ISA
17 En indien enige van de takken weggebroken worden, en jij, als wilde olijf, daartussen geënt wordt…
De natiën worden hier niet voorgesteld als natuurlijke takken die terugkeren naar hun eigen boom. Paulus noemt hen juist een wilde olijfboom. Hun plaats in de olijfboom berust niet op afkomst, maar op geloof.
Gods plan met de natiën
Dat God in deze tijd de natiën roept, betekent niet dat zij verborgen Israëlieten zijn. Integendeel. Juist het feit dat zij geen Israël zijn, laat de rijkdom van Gods plan zien. God beperkt Zijn handelen niet tot Israël alleen. Via Israëls val is redding naar de natiën gegaan (Rom. 11:11).
Zoals God ooit Abraham uitkoos uit alle volken, zo roept Hij vandaag uit alle volken de ecclesia bijeen.
conclusie
Paulus werd gezonden naar de natiën. Door heel zijn bediening maakt hij onderscheid tussen Israël en de natiën.
In Romeinen 9 en 10 staan Israël en de natiën tegenover elkaar. In Handelingen 15 worden de natiën gezien als mensen buiten Israël. En in Romeinen 11 worden zij voorgesteld als wilde takken die geen aanspraak kunnen maken op de beloften op grond van hun afkomst.
De Schrift geeft daarom geen aanleiding om de natiën te beschouwen als verborgen Israëlieten. Wanneer Paulus spreekt over de natiën, bedoelt hij natiën. Wanneer hij spreekt over Israël, bedoelt hij Israël.