In de vorige blog zagen we dat Ezechiël spreekt over het toekomstige herstel van heel Israël. Een andere Schriftplaats die regelmatig wordt aangehaald ter ondersteuning van de leer van de verloren tien stammen vinden we in Romeinen 9. Paulus citeert daar namelijk twee uitspraken uit de profeet Hosea.
Romeinen 9 ISA
24 ons, die Hij ook geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de natiën,
25 zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.
26 En het zal zijn in de plaats, waar tot hen werd uitgesproken: jullie zijn niet-mijn-volk, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God.
Voorstanders van de leer van de verloren tien stammen zien hierin een belangrijke aanwijzing voor hun visie. De woorden van Hosea gingen immers oorspronkelijk over het tienstammenrijk. Zij concluderen daarom dat de natiën waar Paulus naartoe werd gezonden in werkelijkheid afstammelingen van de verloren tien stammen zijn.
Maar is dat ook de conclusie die Paulus trekt?
Hosea en het tienstammenrijk
Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst terug naar Hosea. Hij profeteerde in de dagen van het tienstammenrijk, ruim tweehonderd jaar vóór de terugkeer onder Kores. Zijn woorden zijn daarom allereerst gericht tot Israël in de periode vóór de ballingschap.
Dat is belangrijk om in gedachten te houden. In de vorige blogs zagen we dat de Schrift na de terugkeer onder Kores niet langer spreekt over twee en tien stammen, maar weer over één Israël.
Vanwege de afgoderij en de voortdurende ongehoorzaamheid van het tienstammenrijk kondigt God Zijn oordeel aan. Eén van Hosea’s kinderen krijgt daarom de naam Lo-Ammi.
Hosea 1 ISA
8 (…) En zij wordt zwanger en zij baart een zoon.
9 En Hij zegt: Noem hem Lo-Ammi [niet mijn volk], want jullie zijn Mijn volk niet, en Ik ben er niet voor jullie.
De betekenis van de naam is duidelijk. God zegt tegen het tienstammenrijk: “Jullie zijn niet Mijn volk.” Daarmee kondigt Hij aan dat Israël zijn bijzondere positie zal verliezen en verstrooid zal worden onder de natiën. Maar daarmee is de profetie niet ten einde.
oordeel heeft niet het laatste woord
Direct na het oordeel volgt een belofte van herstel.
10 En het aantal van de zonen van Israël zal zijn als het zand van de zee, dat niet te meten of te tellen is. En het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd werd: Jullie zijn Mijn volk niet, dat tot hen gezegd zal worden: zonen van de levende God.
En direct daarna zegt Hosea:
11 En de zonen van Juda en de zonen van Israël zullen tezamen bijeengeroepen worden. En zij zullen één hoofd over hen plaatsen (…)
Dat is een belangrijk detail. De profetie eindigt niet bij Lo-Ammi. Zij eindigt met het herstel van Israël.
Juda en Israël zullen weer bijeenvergaderd worden onder één Hoofd. Dat sluit nauw aan bij Ezechiël 37, waar Juda en Efraïm weer één volk worden onder één Koning.
Paulus citeert Hosea
Wanneer Paulus schrijft over Gods verkiezend handelen, haalt hij juist deze woorden van Hosea aan.
Dat Paulus spreekt over Joden en natiën is op zichzelf geen weerlegging van de verloren-tienstammenleer. Voorstanders van deze visie gaan er juist van uit dat de tien stammen onder de natiën zijn opgegaan en daarom als natiën worden aangeduid.
De vraag is daarom niet óf Paulus over de natiën spreekt. De vraag is wat hij met Hosea wil aantonen.
zoals Hij ook in Hosea zegt
Opvallend is de formulering die Paulus gebruikt. Hij zegt:
Zoals Hij ook in Hosea zegt.
Hij zegt niet: Hosea sprak over de ecclesia. Ook zegt hij niet: Hosea sprak over de natiën. En evenmin zegt hij: de natiën zijn de verloren tien stammen.
Paulus gebruikt Hosea om Gods handelen te illustreren. Zoals God in het verleden mensen die “niet Mijn volk” waren opnieuw Zijn volk noemde, zo roept Hij nu ook mensen uit de natiën. Dat is een belangrijk verschil. Paulus zegt niet dat Hosea oorspronkelijk over de ecclesia sprak. Hij laat zien dat Gods handelen in overeenstemming is met wat Hosea al had laten zien.
een volk dat geen volk is
Dat blijkt ook uit het vervolg van de Romeinenbrief. Paulus schrijft:
Romeinen 10 ISA
19 Maar, zeg ik: Wist Israël het helemaal niet? Eerst zegt Mozes: Ik zal jullie jaloers maken op wat geen natie is, door een onverstandige natie zal ik jullie tot toorn verwekken.
Deze woorden past Paulus toe op zijn bediening onder de natiën. Maar denk eens na over wat dit betekent. Volgens Paulus gebruikt God een volk dat “geen volk” is om Israël tot jaloersheid te verwekken. Hoe zou dat werken als de natiën in werkelijkheid de verloren tien stammen zijn?
Dan zou God Israël jaloers maken door middel van Israël. Juist de tegenstelling die Paulus maakt, zou daarmee verdwijnen. Paulus maakt verschil tussen Israël enerzijds en een volk dat “geen volk” is anderzijds. Dat onderscheid vormt een belangrijk onderdeel van zijn betoog in Romeinen 9 tot en met 11.
Israël en de natiën
Die tegenstelling vinden we voortdurend terug.
Romeinen 9 ISA
30 Dat de natiën, die geen gerechtigheid najaagden, gerechtigheid gegrepen hebben (…)
31 Maar Israël (…)
Paulus zet hier Israël tegenover de natiën. Niet Juda tegenover Efraïm. Niet twee stammen tegenover tien stammen. Maar Israël tegenover de natiën. Die tegenstelling loopt als een rode draad door Romeinen 9, 10 en 11.
wat doet Paulus met Hosea?
Paulus ontkent niet dat Hosea oorspronkelijk over het tienstammenrijk sprak. Integendeel. Juist daarom is het citaat zo krachtig. God had ooit een volk dat “niet Mijn volk” genoemd werd, opnieuw Zijn volk genoemd. Dat laat zien dat God mensen die geen deel hebben aan Zijn volk alsnog een plaats kan geven in Zijn plan.
Dat is precies wat Paulus in zijn bediening ziet gebeuren. God roept niet alleen uit de Joden, maar ook uit de natiën. De nadruk ligt daarbij niet op hun afkomst, maar op Gods roepstem.
conclusie
De profetie van Hosea gaat oorspronkelijk over het tienstammenrijk. Daarover kan geen misverstand bestaan. Maar wanneer Paulus Hosea citeert in Romeinen 9, zegt hij niet dat de natiën in werkelijkheid de verloren tien stammen zijn. In dezelfde context maakt hij juist voortdurend onderscheid tussen Israël en de natiën.
Paulus gebruikt Hosea niet om de identiteit van de natiën te verklaren, maar om Gods handelen te illustreren. Zoals God Israël, dat Lo-Ammi was geworden, opnieuw Zijn volk noemde, zo roept Hij nu ook mensen uit de natiën.
Romeinen 9:24-26 vormt daarom geen bewijs voor de leer van de verloren tien stammen. Het laat juist zien hoe groot Gods genade is, die reikt tot mensen uit alle natiën.