In de vorige verzen zagen we dat de Midianieten jaarlijks opkwamen tegen Israël, samen met de Amalekieten. Zij waren, net als de Midianieten, een broedervolk, afstammelingen van Ezau (Gen.36:12). Daarbij waren ook nog “de zonen van het oosten”, die niet nader worden aangeduid. Deze vijanden verwoestten het land en roofden de oogst, zodat er niets overbleef. Zo bleef Israël klein en onmachtig en niet in staat om op te staan tegen hun overheersers.
Richteren 6
6 En zo werd Israël zeer verarmd vanwege de Midianieten. Toen riepen de zonen van Israël tot JAHWEH.
Israël diende de goden van het land waar zij woonden en God had voorzegd wat er zou gebeuren als zij Hem verlieten en andere goden achterna zouden lopen. De zegen zou van hen afgenomen worden en vloek zou hen treffen. In Richteren wordt letterlijk vervuld, wat tevoren was voorzegd.
Leviticus 26
16 (…) en jullie zullen tevergeefs jullie zaad zaaien, want jullie vijanden zullen het eten.
17 En Ik zal mijn aangezicht tegen jullie keren, en jullie zullen voor het aangezicht van jullie vijanden verslagen worden; en jullie haters zullen over jullie heersen, en jullie zullen vluchten, zonder dat iemand jullie achtervolgt.
En zo gebeurde het telkens weer: wanneer zij andere goden volgden, liet JAHWEH hun vijanden over hen heersen, totdat zij in hun nood tot Hem riepen.
Richteren 1
7 En het geschiede dat de zonen van Israël riepen tot JAHWEH, vanwege Midian.
de zevende dag: de grote sabbat
Zeven jaren werd Israël overgegeven in de hand van de Midianieten en dan roept het volk de naam van JAHWEH aan. Dat is het begin van hun verlossing. Ook in de toekomst zal dat deel dat over is van het Joodse volk de naam van JAHWEH aanroepen (Zach.13:9; Joël 2:32) en dan zal God de Verlosser zenden en Zijn volk verlossen (Zach.14:3-4). Dan zal de zevende dag van duizend jaar aanbreken: het Messiaanse Koninkrijk, de grote sabbatsrust voor Israël (Hebr.4:9)