Van Gideon is vooral de geschiedenis bekend van het schaapsvel op de dorsvloer en natuurlijk ook die van zijn Gideonsbende van 300 mannen met kruiken en fakkels. Het laatste gedeelte waarmee we ons nu bezighouden, spreekt bij een oppervlakkige lezing misschien minder tot de verbeelding, maar het zit vol met typlogische schatten.
Richteren 8
22 En de mannen van Israël zeiden tot Gideon: Heers over ons, zowel u als uw zoon en ook de zoon van uw zoon, want u redde ons uit de hand van Midian.
23 En Gideon zei tot hen: Ik, ik zal niet heersen over jullie en mijn zoon zal niet heersen over jullie. JAHWEH, Hij zal heersen over jullie!
24 En Gideon zei tot hen: Ik zal jullie een verzoek doen. Geef aan mij per man een hanger van zijn buit, want zij hebben hangers van goud, want zij zijn Ismaëlieten.
25 En zij zeiden: Wij zullen geven, ja geven. En zij spreiden de mantel uit en zij wierpen daarop per man een hanger van zijn buit.
26 En het gewicht van de gouden hangers die hij vroeg was duizend-en-zevenhonderd [sikkelen] goud, afgezien van de maansikkeltjes en de oorhangers en de purperen mantels van de koningen van Midian, en nog afgezien van de halssnoeren die om de halzen van hun kamelen waren.
27 En Gideon maakte het tot een efod en hij zette hem neer in zijn stad, in Ofra (…)
geen koning
Als wij een geschiedenis lezen en de typologie ervan willen duiden, ontstaat al snel de neiging om wat volgt chronologisch te verklaren. Het volgt elkaar immers op. Maar dan zou je verwachten dat Gideon als uitbeelding van Christus, ná de eindstrijd juist wél het koningschap op zich neemt. Maar dat gebeurt niet, want het boek Richteren beeldt de tijd uit van het ongeloof van Israël en niet de tijd van het koningschap van de Messias. Het spreekt van onze tijd. Dát is het thema dat telkens wordt herhaald.
wél hogepriester
En dat vinden we ook hier, want als Gideon wordt voorgesteld om koning te worden en zo een dynastie te vestigen, wijst hij dit af en neemt de heerschappij niet op zich. In plaats daarvan doet hij een verzoek om goud bij hem in te leveren en daar maakt Gideon een efod van. De efod is één van de kledingstukken van de hogepriester (Ex.28:4,28). Ook de purperen mantels van de koningen van Midian worden gebruikt voor het maken van de efod. Purper was de voorgeschreven kleur voor het maken van de efod (Ex.28:6; 9:2). Purper is een mix van rood en blauw en verenigt beide kleuren. Rood spreekt van de aarde en van bloed, blauw spreekt van de hemel. Purper is een uitbeelding van de Middelaar tussen hemel en aarde (1 Tim.2:5).
Gideon die het koningschap weigert en een priesterlijk kledingstuk laat maken, is een type van Christus in onze tijd. Het Koninkrijk is niet openbaar en Christus is gezeten in de hemelen als Hogepriester (Hebr.8:1).