4. het woord van God is compleet: ooggetuigen

De apostelen, die wij kennen als de Twaalf, trokken jarenlang met Jezus op en zagen hoe Hij zieken genas en andere wonderen deed. Blinden werden de ogen geopend, doven konden horen, lammen konden lopen, enz. Ook werden zij onderwezen aan Zijn voeten. Een aantal van deze toespraken waarmee Jezus hen onderwees, vinden we in de Schrift, zoals de Bergrede in Mattheüs 5-7 en de zogenoemde Rede over de laatste dingen in Mattheüs 24 en 25.

woorden van eeuw-ig leven
De twaalf hadden geweldige dingen gezien en wisten met Wie zij te maken hadden, namelijk de beloofde Messias! In Johannes 6, direct na de wonderbare spijziging, spreekt Jezus woorden uit, waarvan men verklaart: “deze rede is hard” (Joh. 6:60) en velen verlaten Hem op dat moment. Vervolgens lezen we:

Johannes 6
67 Jezus, dan, zei tegen de twaalf: Willen jullie soms ook heengaan?
68 Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, tot wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van aeonisch leven.

de beloofde Messias
Petrus wist Wie hij voor zich had staan. Jezus is degene die woorden van eeuw-ig (Grieks: aionion) leven heeft. Petrus refereert hier niet eens aan wat hij had gezien, maar slechts aan wat Hij had gehoord.

Of, zoals Petrus zegt in Mattheüs 16:16: U bent de Christus, de Zoon van de levende God! Petrus wist: dit is Hem, deze Jezus is degene waar heel onze Messiasverwachting op gebaseerd is en waarvan alle profeten gesproken hebben. Het scharnierpunt in de tijd, de komst van de Redder van de wereld!

Ook de apostel Johannes brengt meerdere malen naar voren dat hij een ooggetuige is van deze dingen:

1 Johannes 1
1 Dat, wat er vanaf het begin was, dat wat wij hebben gehoord, dat wat wij met onze ogen hebben gezien, dat wat wij hebben aanschouwd, en onze handen betast hebben, aangaande het woord van het leven.
(…)
3 Dat wat wij gezien hebben, en wat wij gehoord hebben, verkondigen wij ook aan jullie…

Paulus
Paulus was niet één van de twaalf, zoals Petrus en Johannes dat wel waren. Hij was niet één van Zijn discipelen geweest. Maar Paulus had wel een ontmoeting met Hem. Hij werd geroepen door Christus Jezus vanuit de hemel.

Handelingen 9
3 En onderweg gebeurde het, toen hij Damascus naderde, dat er plotseling licht vanuit de hemel hem omstraalde.
4 En vallende op de grond, hoorde hij een stem tegen hem zeggen: Saul, Saul, waarom vervolg jij Mij?
5 En hij zei: Wie bent U, Heer? En Hij zei: Ik ben Jezus, die jij vervolgt.

de opgewekte Christus aan Paulus verschenen
Paulus wordt hier geroepen door de opgewekte Christus en dit is ook het moment dat zijn veelbelovende carrière als Farizeeër eindigt. Zijn loopbaan als apostel begint hier. Christus Jezus verscheen aan Hem en zou nog vaker aan hem verschijnen (Hand. 26:16). Paulus geeft later aan dat hij openbaringen heeft gehad (o.a. 2 Kor. 12:1-4; Gal. 1:16). Christus Jezus was aan hem verschenen en had hem zaken onthuld, zoals de geheimenissen.

om Christus te winnen
Door deze ontmoeting(en) heeft Paulus zijn veelbelovende loopbaan als Farizeeër als schade en vuilnis geacht (Fil. 3:7-8). Hij geeft later aan dat hij is gestenigd, gegeseld, gevangen gezet, enz. (zie bijvoorbeeld 2 Kor. 11:24-27). Dit alles om het overtreffende van de kennis van Christus en om Christus te winnen (Fil. 3:7-8).

taak
De apostelen waren ooggetuigen, door Christus afgevaardigd en aangesteld met een taak. Zij hadden de door God geïnspireerde woorden op Schrift gesteld en waren zich hiervan bewust (2 Tim. 3:16).

Wat zou logisch zijn voor hen om te doen? Het bij elkaar brengen van de Schriften over te laten aan kerkelijke concilies, honderden jaren nadat zijzelf overleden waren? Of: zelf de Schriften bij elkaar brengen en bundelen als nalatenschap voor de generaties die na hen kwamen en die geen beroep meer konden doen op de ooggetuigen? De vraag stellen, is haar beantwoorden.

ontsporing
In de volgende blog wil ik laten zien wat de apostelen in hun brieven zeggen over hoe het christendom zich zou ontwikkelen. Zij waren zich bewust dat een grote ontsporing onafwendbaar en nabij was. Reden te meer voor deze afgevaardigden en ooggetuigen om zelf de belangrijke taak van het bijeenbrengen van de Schriften op zich te nemen.