Richteren 6:1-5 Midianieten

De geschiedenis van Gideon beslaat slechts drie hoofdstukken: Richteren 6 t/m 8. Het vangt aan met de steeds weerkerende uitspraak, die als een rode draad door het boek loopt, dat Israël deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH. Deze woorden herinneren ons eraan dat de ellende van Israël het gevolg was van hun afval van JAHWEH. Toch blijkt juist in die donkere context telkens opnieuw Gods genade, wanneer Hij een richter verwekt om Zijn volk te verlossen.

Richteren 6
1 En de zonen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en JAHWEH gaf hen in de hand van Midian, zeven jaren.

Midian
Midian was één van de zonen die Abraham na de dood van Sarah kreeg met Ketura (Gen.25:2). De Midianieten waren dus een broedervolk van Israël. Ze spelen een grote rol in de geschiedenis van Gideon, dus we zullen ze later nog tegenkomen. We kennen Midian ook als het gebied waar Mozes naartoe vluchtte voor Farao (Ex.2:15).

oordeel
Als Israël “kwaad doet in de ogen van JAHWEH”, betekent dit dat zij andere goden dienen (2:13, 3:7, 10:6). Het gevolg hiervan is dat God Israël overgeeft in de hand van de Midianieten. Midian betekent: strijd, twist. Het woord is afgeleid van de stam din (H1777), dat oordelen of rechtspreken betekent.

zegen en vloek
Aan Israël was zegen beloofd als ze JAHWEH, hun God zouden dienen (Deut.28:1-14). Maar zou het volk Hem niet dienen en andere goden achterna lopen, dan zouden hen strijd en oordelen overkomen (Deut.28:15-68), zoals het overgegeven worden in de handen van hun vijanden (Deut. 28:25,31,48,53).

2 En als de hand van Midian sterk werd tegen Israël, maakten de zonen van Israël vanwege de Midianieten, voor zichzelf holen in de bergen en grotten en vestingen.
3 En het gebeurde wanneer Israël gezaaid had, dat Midian opkwam en Amalek en de zonen van het oosten, en zij kwamen op tegen hen.
4 En zij legerden zich tegen hen en zij verwoestten het gewas van het land tot zo ver als men komt bij Gaza. En zij lieten geen levensonderhoud over in Israël, geen stuk kleinvee, stier of ezel,
5 want zij kwamen op, met hun kudden, en hun tenten, en zij kwamen op zo talrijk als sprinkhanen in menigte, en voor hen en voor hun kamelen is er geen getal. En zij komen in het land om haar te verwoestten.