In vers 20 vinden we het hoogtepunt van de opsomming over de heerlijkheid van de Zoon. Hier wordt gezegd dat God door Hem het alles met Zich zal verzoenen. Het is de zevende keer dat met betrekking tot de Zoon wordt gesproken over alles. De voorgaande zes keren was het een aanduiding voor het universum, de gehele schepping en ook hier is dat (logischerwijs) het geval. God gaat heel de schepping met Zich verzoenen, zowel wat in de hemelen is, als wat op aarde is.