Nadat Paulus zich heeft voorgesteld als de schrijver van de brief, noemt hij ook Timotheüs. Paulus en Timotheüs hadden een zeer nauwe band. Dat blijkt uit de aanhef van de beide brieven die Paulus aan hem schreef (1 Tim. 1:2; 2 Tim. 1:2), maar ook uit wat we verder over hen lezen.
Timotheüs wordt daarnaast in meerdere brieven van Paulus als mede-afzender genoemd. Hij was Paulus’ metgezel en medewerker, maar hun verhouding ging verder dan dat. Paulus noemt hem verschillende keren mijn kind (1 Tim. 1:2,18; 2 Tim. 1:2).
Toen Paulus Timotheüs in Lystra ontmoette, was hij al een discipel en stond hij goed bekend bij de broeders (Hand. 16:1-2). Toch spreekt Paulus over hem als zijn kind in het geloof. Timotheüs was blijkbaar door Paulus’ bediening gevormd en groeide uit tot een van zijn meest vertrouwde medewerkers.
Filemon (naar ISA)
1 Paulus, gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder…
de broeder
In deze aanhef noemt Paulus Timotheüs de broeder. Gelovigen worden in de Schrift dikwijls zo aangeduid: broeders. Dat kan omdat wij één Vader hebben en in Christus tot dezelfde familie behoren.
Maar het begrip broeder bepaalt ons ook bij wat wij gezamenlijk zullen ontvangen. Kinderen zijn immers ook erfgenamen. Of meer letterlijk: zij ontvangen een lotsdeel. Paulus zegt:
“…indien kinderen, dan ook lotbezitters: lotbezitters van God en samen-lotbezitters van Christus…” (Rom. 8:17)
Onze positie is verbonden met die van Christus. Daarom wordt Hij ook genoemd:
“…de Eerstgeborene onder vele broeders.” (Rom. 8:29)
samen met Christus
Christus is de Eerstgeborene en aan Hem zal alles worden onderworpen. In Hem wordt alles in de hemelen en op de aarde samengebracht (Ef. 1:10). En juist in dat verband zegt Paulus dat ook wij in Hem een lotsdeel ontvangen (Ef. 1:11).
Dat is de betekenisvolle positie van degenen die hier broeders worden genoemd. Niet alleen omdat wij dezelfde Vader hebben, maar ook omdat wij verbonden zijn met de Eerstgeborene en delen in Zijn positie.
Wij zijn samen-lotbezitters van Christus (Rom. 8:17). Wat God aan Hem geeft, daarin mogen wij delen. Dat is onze roeping.