Genesis 48:8-14 het geloof van Jakob

Jakob is oud en zwak geworden en weet dat zijn sterven nadert. Pas in het volgende hoofdstuk laat hij zijn eigen zonen tot zich komen om hen te zegenen. Maar voordat hij dat doet, laat hij Jozef bij zich komen met zijn beide zonen: Manasse en Efraïm. Er vindt een verwisseling plaats en zij worden gezegend vóór zijn eigen zonen. Zo ging het hiervoor in het boek Genesis ook al vaak en dit is ook niet de laatste verwisseling die we tegenkomen.

Genesis 48
8 En Israël ziet de zonen van Jozef, en hij zegt: Wie zijn dezen?
9 En Jozef zegt tot zijn vader: Dat zijn mijn zonen, die God mij in dit land gegeven heeft. En hij zegt: Breng hen, alsjeblieft, tot mij, opdat ik hen zal zegenen.
10 En de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom, hij kan niet zien. En Jozef brengt hen dicht bij hem; en hij kust hen en hij omhelst hen.
11 En Israël zegt tot Jozef: Ik had niet kunnen vermoeden, dat ik jouw aangezicht weer zou zien, en zie, God heeft mij ook jouw zaad doen zien.
12 En Jozef doet hen weggaan, bij zijn knieën vandaan, en hij buigt zich neer met zijn aangezicht ter aarde.
13 En Jozef neemt hen beiden, Efraïm rechts van hem, aan Israël linkerkant, en Manasse links van hem, aan Israël rechterkant, en hij brengt hen dicht bij tot hem.
14 En Israël strekt zijn rechterhand uit en hij legt die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de jongste is, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij gebruikte zijn handen verstandig, want Manasse is de eerstgeborene.

Jakob had zijn hele leven zelf gewerkt om Gods beloften tot stand te brengen en dat had hem veel ellende gebracht, zoals zijn vlucht voor Ezau. Ook in het buitenland bij oom Laban was hem van alles overkomen. Maar aan het einde van zijn leven had hij rust en vertrouwde op God. Hij wordt hier dan ook consequent niet met de naam Jakob genoemd, maar met de naam die hij kreeg toen hij het niet meer van zichzelf verwachtte, maar van God: Israël (Gen.32:28).

kruislings
Jakob zegent Jozefs zonen voordat hij zijn eigen zonen zegent. Maar er is nog iets bijzonders. Manasse was de oudste en zou de belangrijkste zegen krijgen, maar Jakob legt zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm. Het wordt uitgebreid beschreven en er wordt gezegd dat Jozef zijn oudste zoon Manasse bij Jakobs rechterhand zette en Efraïm bij zijn linkerhand. Maar Jakob draait het om en moet zijn handen dus kruislings geplaatst hebben. Deed Jakob dit zomaar? Nee, er staat dat hij verstandig handelde. Ook in de Hebreeën brief vinden we hierop een toelichting:

Hebreeën 11
21 In geloof zegent Jakob, stervende, ieder van de zonen van Jozef, en hij aanbidt, leunend op het uiteinde van zijn staf.

in geloof
Wat Jakob hier doet, doet hij in geloof. God had hem verteld hoe het moest gaan. Ongetwijfeld zal hij er ook aan gedacht hebben dat het bij hem ook zo gegaan was. Hij ontving immers de eerstgeboortezegen boven zijn oudere broer, Ezau. En ook bij zijn vader Izak ging het zo.

leunend op zijn staf
Wat we in het verslag van Genesis niet lezen, maar wel in Hebreeën, is dat Jakob leunde op zijn staf, terwijl hij de zonen van Jozef zegende. De staf is een bijzonder voorwerp in de bijbel en komen we op talloze plekken tegen: een bloeiende staf (Num.17:8), een staf die veranderd in een slang (Ex.7:10), één die wateren doet wijken (Ex.14:16), de staf waarmee David Goliath tegemoet ging (1 Sam.17:40), enz. enz. De staf gebruikt men om op te staan of staande te blijven en is daarmee een uitbeelding van opstanding. Jakob is stervend en met (gekruiste!) handen zegent hij Jozefs zonen en profeteert hiermee van toekomende dingen, zullen we later nog zien. Hij doet dat leunend op zijn staf, uitbeeldend: dood en opstanding!